elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: polig

polig , [lui] , polig , (bijvoeglijk naamwoord) , lui, traag. Men zegt van iemand die een tegenzin in arbeiden heeft; “hij heeft den pool op den rug”, hij is polig, een luiaard.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
polig , pôlig , bijvoeglijk naamwoord , Lui, traag (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
polig , polig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied) = vrolijk, jeugdig, bijzonder Dat polige kereltie kik nooit verdrietig (Pdh), Wat stiet hum dat polig (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal