elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: polsteren

polsteren , polsteren , (intransitief werkwoord) , in het water spartelen. Als de zwemvogel zich in het water reinigt en al spartelende zijn vlerken en pooten snel beweegt, zegt men, hij polstert in het water. Zwemmers polsteren met handen en voeten. Daar ligt hij nu in het water te polsteren.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
polsteren , pülsteren , Polsen, plassen. Schei tòch ü̂̂t met dat pülsteren (gepülster) in ʼt water; î maakt u zoo nat as mest.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
polsteren , polsteren , (pòlstǝrǝ) , (zwak werkwoord, intransitief) , 1) Met de schakelstok in het water roeren, om de vis in de netten te jagen. || Polster nou maar in ’et water, dat de vissen opschrikken. – Evenzo elders in N.-Holl. || Niet te schakelen of te polsteren, met den Schakel-stock, of eenighe andere stocken, voor ende al eer den Schuyt aan beyde de Stocken wel vastgemaeckt … sal zijn, Handv. v. Ench. 344 b (17de e.) – Vgl. gepolster. 2) Met handen en voeten (of met poten en vleugels) in het water slaan, spartelen (de Wormer). || Kijk-i ers polsteren (van een drenkeling). Zwummers polsteren mit handen en voeten. Hij polstert in ’et water (van een eend, die zich in het water reinigt en daarbij met vlerken en poten slaat). – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 82). Vgl. Ned. polsen, met een stok in het water roeren (VAN DALE, KIL.) Fri. polskje, Oost-Fri. pulsken (KOOLMAN 2, 771), en zie FRANCK 746 op pols 2.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
polsteren , pülsteren , Polsen, plassen. Schei tòch ü̂t met dat pülsteren (gepülster) in ʼt water; î maakt u zoo nat as mest.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
polsteren , polstere , werkwoord , Met handen of voeten in het water slaan met de vleugels in het water slaan; pootje baden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
polsteren , polstern , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. knoeien met water (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Wat zint die kinder toch an het polstern in die tobbe (Oos), z. ook ploempen 2. vistechniek (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij gungen mit de polsstok polstern umme de vis op te jagen (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
polsteren , polsteren , pulsteren , werkwoord , 1. polsteren, polsen in het water (met een stok, met de handen) 2. met de karnpols werken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
polsteren , polsteren , 1. met grote stappen aan komen lopen; 2. moeilijk lopen door sneeuw of modder (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal