elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pop

pop , popje , (onzijdig) , popjes , kind. Men noemt hier nog altijd een eerstgeboren kind, tot op eenige weken leeftijd, een popje. Zij moet om een popje, popjes doopen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
pop , poppe , poppen , pop, verkleinwoord püpken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pop , pōp , gulden. Studentenwoord.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pop , popke , benaming van den papegaai dien men in eene kooi houdt; vooral bij ’t aanspreken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pop , pop , (pòp) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Verkl. poppie. Zie de wdbb. Ook kraamkind, bakerkind. || We hebben ’en kleine pop ’ekregen. Ze moet om ’en poppie. Ik wil wete, hoeveul poppies ik nag (nog) hale mot (bij een waarzegster), Sch. t. W. 277. Me wijf heb ’en dood poppie ’ehaald. 1719, July 5, Trijnti verlost van een ontidig, doot popie (d.i. popje), Journ. Caeskoper, bl. 4. Is gestorve het popie van Pieter Telle, ald., 29 Febr. 1681. – Uit poppies roeien gaan, bij een bevalling gaan assisteren, van een verloskundige, die voor zijn (haar) beroep uitgaat, en van de twee naaste buurvrouwen, die zoals vroeger algemeen gewoonte was bij de geboorte van het kind tegenwoordig zijn. De kinderen komen hier uit het rietland of uit de watermolen. Vgl. verder poppen, popjesmaal en popjesroeister. – Pop is ook gebruikelijk in de zin van lieveling, schat, vooral van een meisje gezegd. || ’t Is toch zo’n lieve pop. Je benne me beste pop. – In deze betekenis is pop ook elders in N.-Holl., in Friesl., Gron. en Oost-Friesl. bekend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pop , poppe , vrouwelijk , poppen , puppien , pop
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pop , poppe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , popn , pupken , pop
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pop , pupke , tenger meisje ’t Is mar ’n pupke Het is maar een tenger meisje. [Ove]; porceleinen isolator ’n pupke án d’n (houtere) lectrische paol Een porceleinen isolator aan een houten elektriciteitspaal.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
pop , pop , zelfstandig naamwoord de , Ook: baby. Zegswijze om ’n (de) pop moete, moeten bevallen. – Deer het ie de pop mee zoend, daar heeft hij een strop aan (verouderd). Vgl. Fries pop. Verkleinvorm poppie, popke (vgl. Fries popke). 1. Popje. 2. Baby, in de zegswijze ’n poppie koupe, een kind krijgen. | Hei je ’t hoord, Annie het ’n poppie kocht. – ’n Poppie hale, als vroedvrouw fungeren, assisteren bij de bevalling. – ’t Poppie most haald worre, het kind moest door middel van de keizersnede ter wereld komen. – We gane ’t poppie voor ’t gat zoene, we gaan op kraamvisite. Verkleinvorm meervoud poppies. Baby’s, in de zegswijze poppies roeie (hale), als vroedvrouw fungeren, assisteren bij bevallingen. De zegswijze herinnert aan de tijd, dat men kleine kinderen wijs maakte, dat baby’s uit het rietland kwamen en met een roeibootje gehaald moesten worden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pop , póp , vrouwelijk , póppe , pupke , pop; strodok; wijfjesvogel. Kinderrijmpje: Póppe-Greit, / zëk ’t neit, / Wullemke is verdrónke, / hastem bie zien haore gesjnap, / dan waar ’r neit gezónke.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pop , póp , búske struuj ónder en daakpan.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
pop , poppe , puppie , pop.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
pop , pop , poppe, pobbe , de , poppen , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook poppe (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), pobbe (Veenkoloniën) = 1. pop Jan hef een poppe kregen van sunterklaos (Rui) 2. (meestal verkl.) baby Zij hef gistern een poppe kregen (Hgv), Is het poppie der al? (Hol), We gaot even hen poppien kieken baby bekijken (Wap), (fig.) Zij was het poppie in huus lievelingetje (Klv), Ho, mien jong, ho mien poppien tegen een paard om het te kalmeren (Sle) 3. cocon Oet de pop komp de vlinder (Row) 4. knobbel, uitwas Der zit nogal wat poppen in de hoed van die koe (Pdh), Het bint gien mooie erpel, het bint almaol poppen (Eex), Met het sorteren moej de poppen der oetgooien knobbelige aardappels (Hoh) 5. versiering op de klok (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Der stunden drei poppen op de Friese klokken (Die) 6. mooi meisje 7. wijfje Bij knarries en parkieten hej een pop en een man (Sle) 8. plaatje bij een kaartspel Bij kaorten hej ook een plaatien of een poppe (Hgv) 9. etalagepop Daor staot zwaarte poppen in de etalage (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pop , poppe , pop
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pop , poppe , puppien , pop; puppien, popje. ’t Is ’n teer puppien, ’t hef meraekel weineg bie te zettn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pop , pupke , popje , Dé pupke gi és urtste meej nô bèd, ze laot 't nie mér los vur mééregevruug. Dat popje gaat als eerste mee naar bed, ze laat het niet meer los voor morgen vroeg.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
pop , poppe , pop , zelfstandig naamwoord , de 1. baby 2. vaak verkleinde nabootsing van een mens, vooral: speelpop 3. lief, aantrekkelijk vrouwtje 4. marionet 5. modepop, etalagepop e.d. 6. pop van een insect, larve 7. vrouwelijke kanarie 8. grillige, min of meer op een poppetje lijkende uitwas aan een aardappel 9. aardappel met één of meer uitwassen die aan een poppetje doen denken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pop , pop , zelfstandig naamwoord , poppe , poppie , zuigdot (in gebruik tot de komst van de fopspeen) D’n dot was een lappie met suiker en beschuitkruimels waer de kinderties op sopte; laeter zeeje ze dat de kindere daer sprauw van krege
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pop , pôp , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , pôppe , pupke , pop , VB: Wie 't kênneke jëurig wäor krèg 't 'n sjoen pôp van z'n päot. VB: Ich heb 'n sjoen kenäoriepôp meh ich ôs 'nne sjoene maan hebbe vuur drop te zitte.; vrouwtjesvogel pôp VB: Ich heb 'nne sjoene kenäoriepôp meh ich môs 'nne sjoene maan hebbe vuur drop te zitte.; verkleinwoord; pupke
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pop , pôp , pop
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
pop , poep , p pop.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
pop , poppe , (zelfstandig naamwoord) , puppien , pop.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
pop , póp , pupke , pop
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
pop , póp , (vrouwelijk) , póppe , pupke , 1. pop 2. liefje , Métte póppe spuuele.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pop , pupke , (vrouwelijk) , 1. poppetje 2. meisje 3. katoenen zakje
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pop , póp , zelfstandig naamwoord , póppe , pupke , 1. pop 2. stropop (dubbelgevouwen en daarna samengebonden, ofwel ineengedraaid bundeltje stro dat vroeger onder de dakpannen werd gelegd, o.a. ter isolatie); hae itj/vritj zien moder de póppe ónger het daak t – hij eet zijn moeder bedelarm
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pop , póp , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , póppe , pupke , pop, zangvogel, vrouwelijke
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pop , pop , zelfstandig naamwoord , pupke , "N. Daamen (handschrift 1916) – ""en hij kreeg een borreltje van de pop"" (verschillende kruiden op genever gezet); WBD III.4.1:24 'pop, popje' = vrouwelijke zangvogel; WNT POP (II) B 3) Klein linnen bundeltje of zakje waarin kruiden of andere droge geneesmiddelen zijn gedaan a) bestemd om in een vloeistof te worden gehangen of gelegd ter verkrijging van een aftreksel ... Bij overdracht ook voor het aftreksel: Een borrel poppe (Kruin.); pupke; popje; R.J. ''n pupke was 't zôwaor'; verkleinwoord van 'póp', met umlaut"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal