elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: portel

portel , portel , (vrouwelijk zonder meervoud) , kaasnat, een melkachtig vocht, dat onder het kruimelen en drukken van de kaas, uitzijpelt. De portel bestaat, behalve uit een weinig wei, uit opgeloste kaasstof met eenige boterdeelen en melksuiker.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
portel , portel , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij de kaasbereiding. Het melkachtige vocht dat onder het kruimelen en kneden van de kaas uit de kaasstof zijpelt. De portel bestaat, behalve uit wat wei, uit opgeloste kaasstof, enige boterdelen en melksuiker. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 83), waar ook bekend is portellessie voor wat het laatst uit de kaas gewrongen wordt (Taalgids 2, 120). Bij WEIlAND en VAN DALE wordt vermeld portelwei. Het woord behoort bij portelen, persen, kneden van de kaas; zie BERKHEY, Nat. Hist. 9, 434. Vgl. verder DE JAGER, Freq. 1, 461 en FRANCK 749 op portelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
portel , portel , zelfstandig naamwoord de/’t , Melkachtig vocht dat onder het drukken of persen van de kaas uit de kaasstof sijpelt. Het woord behoort bij het oude werkwoord portelen = persen, kneden (van kaas). Vgl. Boek. Zie het N.E.W. onder portelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal