elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: prakken

prakken , prakken , eten fijn maken
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
prakken , prakken , eten fijn maken
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
prakken , prakken , wordt hier gebruikt voor het fijnmaken der aardappelen, hetzij met een lepel, hetzij met een vork. In het reeds meermalen aangehaald H.S. van A.R. Kool leest men dienaangaande het volgende: ‘prakken: het eten, de kost die op tafel staat met de lepel fijner, kleiner maken, dit doet het scheepsvolk op de Groenlandsvaarders onder het zingen of lollen van dit deuntje: ‘De Koningen van Frankrijk met honderdduizend man, / De Staten van Jeruzalem al weêr van voornen an.’ En dit wordt herhaald zoo lang het hun lust.’ In Groningen en omstreken bestaat nog het subst. praksel in den zin van mengelmoes, allerlei eten dooreen. Zie De Jager, Taalk. Mag. IV, bl. 682. In den Bildschen tongval leeft ook het verbum prakken in de beteekenis van omzwieren, b.v. hij prakt den geheelen nacht om. Zie De Jager, Archief IV, bl 65.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
prakken , prakken , (transitief werkwoord) , breken, fijn maken, drukken, mengen. Hij prakt alles door malkander, maakt prakmoes. Hij zal het eerst fijn prakken. Misschien van prikken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
prakken , prakken , (zwak werkwoord, transitief) , Eten met een vork of lepel fijn drukken. || Prak de eerdappelen, die over’bleven benne, den (dan) zelle we der koek van maken. Je moete (moet) as je stokvis ete (eet), de boel goed deur mekaar prakken in je eten. Geprakt eten. – Zegsw. We zellen ’et lessie maar prakken, we zullen daarover maar zwijgen. – Ook elders in N.-Holl. (BOUMAN 84; O. Volkst. 2, 175), in Friesl. (Taalgids 3, 283), Gron. (MOLEMA 335), Oost-Friesl. (KOOLMAN 2, 752), en hier en daar in Z.-Holl. (Taalgids 4, 41; Noord en zuid 3, 117). Ook in de Noordse talen komt het woord in verwante betekenis voor; vgl. FRANCK 751 op prachen. – Zie prakmoes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
prakken , prakken , mokken, pruilen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
prakken , prakke , prakde, haet of is geprak , fijn maken van voedsel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
prakken , prakken , zwak werkwoord, overgankelijk , prakken, fijnmaken Prakken of soppen is met het eten alles fiendrukken met de vörk (Wee), Ik heb het eten al bijna op en dan prakt, ...sopt mien man nog is hij nog aan het prakken (Rui), Ik prak de eerappels eerst en dan dou ik der stip op (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal