elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: prik

prik , [prijs] , prik , (mannelijk) , prikken , prijs, prijsbepaling. Dat is mijn prik: de prijs waar voor ik het wil aannemen. Zijn prik was veel te laag gesteld; het gaat boven mijn prik.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
prik , prikje , (onzijdig) , prikjes , futje, kleintje, beetje. Hij koopt het voor een prikje. Hier zegt men meestal: voor een futje. Zie op dat woord.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
prik , [jonge eik] , prikke , eikenprikke , (vrouwelijk) , eikenkreeft, die bij de tweede verplaatsing met den top geplant wordt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
prik , prik , zie bōtprik.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
prik , prip , (Westerkwartier) = puntig voorwerp, bv. de ijzeren punt van een tol, het ijzer van eene els: elzenprip, (v. Dale, prik) enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
prik , prik , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Een term bij de verponding. Een bepaald aandeel in de hoofdelijke omslag, schotpond. Sedert het begin dezer eeuw, met de wijziging van het belastingstelsel, in deze zin verouderd. Elke prik vertegenwoordigde een bepaalde som gelds, in specie of in goederen. Om de 4 jaar werden uit de vroedschappen 8 ponders (prikkers) gecommitteerd, die bij de huizen rondgingen en taxeerden op hoeveel prik ieders bezitting gesteld moest worden. Armen kwamen allen op ¼ prik. Daarna werden de prikken saamgeteld en hun aantal gedeeld op het bedrag, dat aan belasting moest worden opgebracht. Daardoor werd uitgemaakt, hoeveel schot ieder prik moest betalen. Een prik schots maakte soms 4, 5, 6 gulden of meer. Aldus in de ban van Westzaanden. || De prikken … betekenen ’t aandeel, dat ieder ingeseten en burger in de gemenen last te dragen heeft, ’t welck op andere plaatse met de namen van steeken, oogen, wordt uitgedrukt, wordende ieder prik op eene bepaalde somme gelds gerekend, Hs. (a° 1776), verz. Honig. – Te Assendelft heette de verpondingseenheid steek. Te Wormer en Jisp rekende men ogen en was een prik ⅛ gedeelte van het oog, terwijl ¼ oog hik werd genoemd. Al deze termen dagtekenen uit de Middeleeuwen, toen de omslag nog plaats had door middel van de kerfstok, waarop door grote en kleine kerven en andere tekens werd aangegeven, hoeveel schotponden de inwoners bezaten. Die kerfstokken werden dan als bewijsstukken bij de authoriteiten ingeleverd. De benamingen kerf, prik, steek, hik, oog (vgl. die woorden) duiden de verschillende daarbij gebezigde tekens aan. Vgl. Inform. 663. – Zie verder prikken I, prikker en prikschot. – De oude term prik leeft echter nog voort in de bet. taxe, prijs die men voor iets geven wil. || Me prik is vijf gulden, meer geef ik er niet voor. Dat gaat boven me prik (het is me te duur). Je prik is veuls te lang. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 84). Vgl. ook in Hs. Kool: “Wel, Aalbert, wat is de prik van je koe?” “Wel Rokus Krijne, ik heb het estoerd op 10 pond (f 60,-).” “Dat is te veel, broertje.” “Ja wel buur, het moet allijkewel onder het louw van die prik wezen.”
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
prik , prik , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Een arreslede met kleine bak. Arren met een grote, logge bak heten trog. || We kennen best mit de prik op ’et ijs. Gaan maar in de prik, dan zel ik er ’et peerd voorspannen. – Vgl. prikken II. – Ook prikslee in de gewone zin is in gebruik.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
prik , prik , (zelfstandig naamwoord) , In de uitrdr. hoepels met prikken, als schertsend antwoord op de vraag: “Wat zullen we vanmiddag eten?” Elders zegt men in dat geval: Hussen met prikken, daar mag je eens aan likken, enz.; vgl. HARREBOMEE I, 346 b. – Prik betekent hier misschien tak, als in het Stad-Fri. en in de samenst. prikkebeen, ooievaar-prikkedief, enz. – Vgl. een dergelijke zegsw. op hoepel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
prik , prik , zie botprik *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
prik , prip , een puntig voorwerp, vooral de punt van een top of priktol (bij v. Dale: prik); is zulk een punt van een els of priem gemaakt dan spreekt men van ’n elzen prip.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
prik , prik , lamprei, negenoog. Een kind krijgt op de vraag: Wat kriigen wi våndääge (wat eten we vandaag) ten antwoord: Prikken met aapenstätte; ook wel: prikken met niiegenoogen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
prik , vàste prik , m , steevast.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
prik , prik , zelfstandig naamwoord de , 1. Prikslede. 2. Arreslede met kleine bak (verouderd). – Da’s vaste prik, dat gaat altijd zo. – ’t Op ’n prik kenne, het tot in de finesses kennen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
prik , prik , zelfstandig naamwoord de , Taxe, prijs die men wil betalen. Zegswijze dat gaat boven m’n prik, dat is mij te duur.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
prik , prik , mannelijk , prikke , prikske , prik, kleinigheid. Dat kénste veur ẹ priksken höbbe: dat kun je voor een prikje kopen. Dat is vaste prik: dat is strijk en zet.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
prik , prakke , priktol.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
prik , prik , de , prikken , 1. prik Op schoel kregen de kinder een prik tegen tbc (Pdh), Ik heb een prik in de vinger had van die brummel (Flu), Ze kregen vrogger nog wol ies een prik mit een mes (Ros) 2. koolzuurhoudende limonade Kiender hebt graeg een flessie prik (Die), ook As de fles lös staait, gaait de prik er oet het koolzuur (Row) 3. klein bedrag Hij hef dat huus veur een prikkie op de kop etikt (Mep), Alles gunk veur een prik weg (Ruw) 4. stukje met, gebraden tussen de bladen van de tang (Midden-Drenthe, ti) As we slaacht hadden, kregen we vaok prik an een stokkie (Bal), Wat eet wij? Antw. Gebraoden prikken (Sle), ....braoden prikken met maal wilmtieszaod m.a.w. dat hoef je niet te weten (be:Rod) 5. haak (N:Zuidwest-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
prik , prik , prik
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
prik , prip , zelfstandig naamwoord , de; prik, prikkende steek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
prik , prikke , zelfstandig naamwoord , de; gekapte of afgebroken twijg, dood takje, zie ook sprikke
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
prik , prik , zelfstandig naamwoord , de 1. lichte steek met een naald, angel enz. 2. in uut de prik op de prik, zeer goed, nauwkeurig 3. (vaak verkl.) gering bedrag, vooral in veur een prikkien voor weinig geld 4.in boven de prik te duur 5. priklimonade, bijv. een glassien prik 6. prikkelend effect in priklimonade en bep. andere frisdranken, nl. door de aanwezigheid van koolzuur 7. in vaaste prik vaste prik, regelmatig terugkerend iets 8. prikstok
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal