elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: prikkel

prikkel , [scherpe punt] , prikkels , (meervoud) , scherpe punten, naalden van boomen, heesters en planten, prikkels in het hooi van de muizengarst, de zoogenoemde kruipertjes, de kinderen zeggen: “poesje kruip in.” Men zegt ook wel prikkers.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
prikkel , prikkel , de , prikkels , 1. prikkel Dat was een prikkel um beter zien best te doun (Gie) 2. doorn (Midden-Drenthe) Hij völt net met het gat in de prikkels van de brummelstruke (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
prikkel , prikkel , zelfstandig naamwoord , de 1. prikkel: prikkeling, tinteling 2. priklimonade
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
prikkel , prikkel , prikker , stekel, doorn.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
prikkel , prikkel , prikkels , 1. kleefkruid (galium aparine); 2. klit (arctium).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal