elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pruttelen

pruttelen , preutelen , pruttelen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
pruttelen , pruttelen , (intransitief werkwoord) , borrelen, opwellen. Kokende spijzen, die op een zacht vuur staan te sudderen, maken dikwijls een pruttelend geluid; van daar zegt men van eene knorrige vrouw: “altijd pruttelen en nooit gaar is lastig.”
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
pruttelen , prötêln , pruttêln , pruttelen; Kil. protelen, preutelen; Oostfriesch, Westfaalsch pröteln, Nederduitsch pröteln, Middel-Nederduitsch protelen. Vgl. ’t Hoogduitsch brodeln = het geluid van zacht koken, Nederduitsch pruddeln, Zou een frequentatief zijn van: proten; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pruttelen , pruttêln , een knikkerspel. Zie ook: prötelen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pruttelen , pröttelen , zwak werkwoord , pruttelen. Van een te vuur staand gerecht kan men zeggen: Het begeent al te pröttelen. Tiiegenpröttelen: tegen mopperen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pruttelen , pruttele , werkwoord , Ook: mopperen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pruttelen , pruttele , pruttelde, haet gepruttelt , pruttelen; mopperen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pruttelen , prutteln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. pruttelen De brij staet op het vuur te prutteln (Die), De koffiepot stun lekker te prutteln op de kachel (Bor), z. ook prutten 2. mopperen Wat hef dat aold mèensch aal te prutteln (Sle), Oma dee de heeile dag niks as prutteln op de kleinkinder (Eex) *Liezebit / Dat kind dat schit / Het hef al driemaol prutteld / Neem een lap / En wisk heur het gat / Arregat, wat stinkt mie dat (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pruttelen , pruttelen , borrelend koken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pruttelen , pruttelen , prottelen, protten , werkwoord , 1. mopperen, z’n misnoegen uiten 2. een pruttelend geluid maken, vooral: pruttelen van koffie en bep. eten op het vuur, sudderen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pruttelen , pruütele , werkwoord , pruütelde, gepruüteld, pruütelenterre , morren , VB: Dèn awwe knoëterer zit de gaansen däog mer te pruütele.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pruttelen , pröttelen , (werkwoord) , pruttelen, eprutteld , pruttelen. Wat stiet ter opt vuur te pröttelen?
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
pruttelen , potteleviere , koken
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
pruttelen , pruttele , zwak werkwoord , pruttelen = zachte winden laten; WBD III.1.1. lemma Een wind laten – Tilburg [als enige plaats van opgave]
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal