elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: puffen

puffen , puffen , (transitief werkwoord) , vertrouwen. Ik puf den boel niet, ik heb die zaak al lang niet gepuft, en vele anderen met mij puffen dat ding evenmin: hoe aannemelijk ook in schijn, stelt men er geen vertrouwen in. Van daar neemt men puf in de beteekenis van lust; ik gevoel geene begeerte die zaak mijn vertrouwen te schenken, en heb er alzoo geen puf op, mij daar mede in te laten.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
puffen , puffe , werkwoord , Ook: vertrouwen (verouderd). | Ik puf die boel niet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
puffen , puffen , pufkern , zwak werkwoord, onovergankelijk , In bet. 3. ook pufkern (Zuidoost-Drenthe) = 1. hijgen, kortademig zijn Hij puft mal, as hij an het spitten is (Bco), Niet zo hard lopen, aans moej zo puffen (Wap), Hij puft het oet, hij kan haost gien aodem kriegen (Oos) 2. blazen van warmte Hij puft van de waarmte (Eev) 3. een puffend geluid maken Zet die trekker nou mar ies èven uut, die stiet daor mar te puffen (Ruw), De trekker mus der aordig tegen puffen zwaar trekken (Flu), De kachel puft lekker (Pdh), Die boten, die puft zo gezellig (Hol) 4. roken Hij puft an ien stok dèur, hij is een kettingroker (Dwi), Hij zat an zien olde piep te puffen (Row) 5. slapen (Zuidoost-Drents veengebied) Hij lag even te puffen (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
puffen , puffen , werkwoord , 1. blazen doordat men het warm heeft of kortademig is 2. winden laten 3. roken (van sigaren enz.) 4. puffende geluiden maken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal