elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pork

pork , purk , (mannelijk) , purken , dwerg, achterblijver. Al wat bij de geboorte beneden het middelmatige is, al wat slecht groeit en in het oog vallend achterlijk blijft, noemt men alligt een purk. Dat schaap heeft twee goede lammeren, maar de derde is een purk, een purkje. Zoo zegt men ook van kinderen die ten gevolge van ligchaamsgebreken of verwaarloosde opvoeding achterlijk en klein blijven: het zijn purken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
pork , pòrk , pòdderik , (mannelijk) , klein kind.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pork , pōrk , pōrks, pōrkes, bōrk , dwerg, achterlijk, klein schepseltje; klein, gedrongen kereltje; slecht stomp mes, ook pōr en Noord-Hollandsch, Oostfriesch purks. – Westfaalsch purk, Holsteinsch spurks = kleine jongen, dwerg, Driburg purre, Deensch purk; bōrk, dwergachtig persoontje, klein, gedrongen mannetje; ʼn bōrk van ʼn kereltje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pork , pö̀rk , (mannelijk, vrouwelijk) , Zie ook: pòrre.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
pork , purk , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Verkl. purkie. Een klein, niet uitgegroeid kind of dier; dwerg, achterblijver (de Wormer). – Synon. punnek, puk, urk. || Dat kind is toch zo’n purk, ’t wil maar niet groeien. ’t Skeep (schaap) heb twee goeie lammeren, maar ’et derde is ’en purkie. ’t Benne purken. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 86). Ook in het O. van ons land is pork een klein kind (O. Volkst. 1, 151). In Oost-Friesl. betekent purks dwerg (KOOLMAN 2, 776).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pork , pōrk* , vergel. bōrk *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
pork , pö̀rk , (mannelijk, vrouwlijk) , Zie ook: pòrre.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
pork , pork , [pork] , trommelkoek
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pork , pork , [pǫrk] , dreumes
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pork , pork , 1. klein kind 2. kleine volwassen man
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
pork , purk , pork , zelfstandig naamwoord de , 1. Klein kind. 2. Schelm, deugniet. Eigenlijk varken of varkensvlees. Vgl. Engels pork.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pork , örrekie , zelfstandig naamwoord , klein kind (LPW: Lop) Synoniem: *brakkie . In Gouda is een purrekie een ‘klein mensje, klein kind’ (Lafeber 1967, p. 149).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
pork , pörk , klein kind.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
pork , pork , purk , de, het , porken , Ook purk (Zuidwest-Drenthe, noord), vaak verkl. = 1. klein kind of dier Giet dat porkien ok al hen de de schoele? (Pdh), Wat een pork, neit? vinnig kereltje (Row), Dat zwientie is ok mor een porkie (Klv) 2. klein persoon Hie is mor een klein porkie, ij poest hum zo vort, mor woord hef e wel (Eex), Het is maar zo’n pork, maar wat is het een slim kerelken (Bco) 3. lichtgeraakt persoon Wat een pork van een kerel! (Sle), Het is een kwaod pork (Row), z. ook smork
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pork , pork , de , (Zuidoost-Drents zandgebied) = meelgerecht van meel, melk, gist en rozijnen ‘Er werd een deeg gemaakt, vrij nat. Dat werd in een doek gedaan, dat in een pan met water paste. Dan werd dit deeg uitgekookt, zo’n anderhalf uur, dan was het voldoende gewassen. Het werd bij sommigen in plakken gesneden, zo stijf was het. Men haalde er met de vork stukken af. Het geheel werd overgoten met zute melk’ (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pork , porks , de , porksen , (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = klein mensje Dei jonge is zo’n porks, dei wil mar nich groter worden (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pork , pork , zelfstandig naamwoord , de, et; klein kind, kleine persoon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pork , pork , pörk, pörke , peuter.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pork , purk , 1. kleine man of kleine vrouw; 2. pudding; 3. vla.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal