elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: quitte

quitte , kiet , (bijwoord) , gelijk, effen, kamp. Wij staan kiet, d.i. we hebben niets van mekaar te vorderen. Kiet spelen, niet winnen noch verliezen. Van het fransche quite.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
quitte , kiet , zooveel als: niets meer schuldig zijn, of: niets meer te vorderen hebben; wie bin kiet = wie bin liek = ’t is liek = alles is tusschen ons vereffend, wij zijn vrij van elkander want de schuld is gekweten; kiet wordt ook bij ’t kaartspel gehoord. Nedersaksisch quit = vrij, zonder aanspraak. Vgl. Latijn quietus, ’t Fransche quitte, en het Engelsche quite. (v. Dale: quitte = vrij, even, kampop, ontheven van de verplichting om te betalen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
quitte , kiet , gelijk We staon kiet! We staan gelijk. We zijn elkaar niets schuldig; kiet speule gelijkspel, remise (niet winnen en niet verliezen).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
quitte , kiet , gelijk
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
quitte , kwit , quitte.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
quitte , quitte , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , quitte Ze speulden quitte (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
quitte , kwijt , even (in een spel): we zèn kwijt, we staan quitte, we hebben even vaak gewonnen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
quitte , kiet , bijvoeglijk naamwoord , gelijk of dubbel , kiet of dobbel (fr. 'quitte ou double')
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
quitte , kiet , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , gelijk; WBD (III.3.2:35) kiet speule = quitte spelen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal