elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rak

rak , rak , (onzijdig) , rakken , regtuitloopende weg, of vaart. Dat is een heel rak, dat was een heel rak in den wind.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
rak , rak , in de beteekenis van: een gedeelte van een kanaal, afwijkende van de hoofdrichting, kromming in eene vaart of rivier, heeft in ’t meervoud roaken; bij ’t Reitdiep zegt men: de roaken opzailen. Aldaar heeft men de verschillende namen: Bolrak, Joapsrak, Langerak, Noordwesterrak, Garwerderrak, Kwinnokwart, Neigroaven, Swalf, IJzinger Schoor, Zoltkamperrak. In ’t Winschoterdiep heeft men het Lange rak, eveneens in het trekdiep van Aurich naar Emden. (Vgl. Gouderak, Langerak, het Damrak, enz.) Zegswijs: dat was ’n rak ien wiend (Hoogeland) = de zieke was weer ingestort. – Ook = wak; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rak , rak , rek , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Verkl. rakkie. Zie de wdbb. – 1) Een deel van een weg of een vaart, dat zich rechtuit in de lengte uitstrekt of in rechte richting voortloopt. || Dat’s ’en heel rak. Nou nog ’en rakkie, dan ben we der. In dit rak hebben we de wind van achteren, maar in ’t volgende krijgen we ’em zijds. Dat was ’en heel rak in de wind. – Zegsw. As er maar geen in-de-winds-rakkie komt, als er maar geen beletsel komt. – Vgl. de samenst. Delfrak, Kerkerak, Moordenaarsrak, Varkensrak, Wolfrak, zaakrak. – Evenzo elders bekend. 2) Uitgestrektheid tijds, lange tijdsruimte, in het bijzonder tussen twee maaltijden. In deze zin meestal in de vorm rek. || ’t Is ’en heel rek, zo van ’s morgens zeven tot ’s middags twee zonder eten. Je moete onderwijl maar wat eten; ’t is aârs zo’n lang rek. – Zo ook elders in Holl. – Vgl. hiermee J. DULLART, Oratyn en Maskariljas (a° 1732), 96: “Doch eindelyk, om te verkorten ’t lange rak, van al ’t verhaal, enz.” 3) Rek; toestel om iets in te zetten, op te plaatsen, aan te hangen. || Hang de kleren maar over ’et rak. De eieren staan op ’et rakkie. Evenzo in samenst. droograk, klererak, enz. Zo ook elders. – Vgl. de samenst. klosserak, lepelrak, messerak, theerak.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rak , roaken , als meervoud van rak *, zie dat woord.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
rak , rak , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Deel van een weg of water dat in rechte lijn voortloopt. 2. Af te leggen afstand. | ’t Is nag ’n heel rak voor we d’r benne. 3. Lange tijdsruimte. | ’t Is ’n heel rak van soches vroeg tot seives laat. 4. Rek. | Hang de klere maar over ’t rak. 5. Kapstok (verouderd). | M’n pet hangt an ’t rak. Vgl. Fries rak.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rak , [langgerekt stuk land] , rakt , langgerekte strook land.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rak , rakt , langgerekte strook land
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rak , rak , zelfstandig naamwoord , Cees Robben – Zèède wir op rak, Merie... Jao, ik moet wir en hôrt op... (19640320); Cees Robben – Is oew vrouw thuis, Tinus..? Thuis.. Die straotmus is wir op rak... (19830708); Cees Robben – Ons Nelleke is wir op rak... (19860321); Frans Verbunt - op rak zèèn - op stap zijn; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RAK: 't rak hebben = neiging hebben om te rakken, jagen, stouwen; toegeven aan onweerstaanbare ramscheuten en schoeren? ook wel gebruikt voor andere vormen van onrust dan die welke betrekking hebben op de snelle voltooiing van het werk, b.v. erotische verlangens: 'hij is op rak'. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; rak, znw. m. - rak, de daad van rakken: 'op (z'ne) rak gaon' - gaan rakken; WNT RAGGEN l) wild heen en weer loopen, stoeien; 2) een heen-en-weer-schuivende beweging maken.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal