elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rampu

rampu , [beschadigd] , rampu , (bijvoeglijk naamwoord) , beschadigd, gehavend, slordig. Dit scheepswoord is hier nog al veel in gebruik.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
rampu , rampu , (bijvoeglijk naamwoord) , Stuk, gehavend, slordig. || Die kist is helegaar rampu. Wat is hier de boel rampu. Dat kleedje is veels te rampu om weer neer te leggen. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 87). Ook in de 18de-eeuwse kluchten. || De spa is heel rampu, en de hark is zonder steel, ALEWIJN, Bedrooge Woekeraer 22. – Rampu is het Fra. rompu, gebroken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rampu , rampu , bijvoeglijk naamwoord , Stuk, gehavend. Vgl. Frans rompu.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal