elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: remelen

remelen , remelen , (intransitief werkwoord) , ijlen, praten. Hij heeft de remelkoorts, is ijlhoofdig, hij ijlt, hij ligt te remelen, praat buitensporig.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
remelen , remelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Gekkepraat uitslaan, ijlen, onzin praten, doorpraten zonder eigenlijk zelf te weten wat men zegt. || Ze is erge ziek, ze heb de hele nacht leggen te remelen (ijlen). Wat remel-je toch, vertel toch niet zukke onzin. Och luister maar niet na hum, hij remelt maar wat. Ook rammelen, druk praten, zonder dat het onzin behoeft te zijn. || Och kind, remel zo niet. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 88); DE JAGER, Freq. 1, 507). Ook KIL. vermeldt: “remelen, Holl. j. reven, delirare, ineptire”. Bij HOOFT en BREDERO vindt men in dezelfde zin rijmelen; zie DE JAGER, t.a.p. 506. – Vgl. remelaar, remelkoorts.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
remelen , rémele , werkwoord , 1. Snel en onafgebroken praten. 2. IJlen, onzin uitkramen. Vgl. Boek. onder remelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal