elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rijzen

rijzen , riizen , korlsgewijze uitvallen, druipen, zoo als gruten. A. S. hreosan, vallen. Pl. d. risen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
rijzen , [vallen] , rijzen , (werkwoord) , vallen, afvallen. , Er rijst zaad door de spleten. Die bloem begint te rijzen. De bladeren zullen gaan rijzen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
rijzen , rijzen , (intransitief werkwoord) , opzwellen, gisten. Een gebrek in de kaas terwijl zij nog jong is. Zulk eene kaas noemt men rijzer.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
rijzen , rîzen , (sterk werkwoord) , langzaam vallen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rijzen , rîzen , (sterk werkwoord) , rijzen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rijzen , rîzen , Neervallen, door laten vallen, laten vallen. De zòlder is n(i)eet dichte; het stòf rîster dör. Draag de garven vörzichtig en zörg daj n(i)eet rîst. In de omstreken van Deventer hoorde ik dit woord ook reizen uitspreken. Zie: güren. Vgl. J. v. Beersʼ Rijzende blâren. Limb. riezen – vallen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
rijzen , rîzen , Neervallen, door laten vallen, laten vallen. De zolder is n(i)eet dichte; het stòf rîster dö̂r. Draag de garven vö̂rzichtig en zörg daj n(i)eet rîst. In de omstreken van Deventer hoorde ik dit woord ook reizen uitspreken. Zie: güren. Verg. J. v. Beersʼ Rijzende blaren. Limb.: riezen – vallen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
rijzen , riezn , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: ris, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: rees , rijzen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rijzen , riezen , rijzen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
rijzen , riezen , riezen bessem = rijzen bezem
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
rijzen , rizzen , tillen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
rijzen , roize , werkwoord , Rijzen, in de zegswijze moeilijk roize, moeilijk of met tegenzin opstaan (uit bed, uit een gemakkelijke stoel). | Ik loik zô maar moeilek roize te kennen, ik zit zô lekker an. – Die ken van z’n oigen wel roize, die heeft geen (financiële) hulp nodig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rijzen , reezje , uit de aren vallen, gezegd van de graankorrels.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
rijzen , reezje , rijzen, gezegd van deeg.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
rijzen , rezen , riezen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook riezen (Zuidwest-Drenthe) = de weg van rijshout voorzien Ik wil niet meer rezen (Ruw), Wij mut riezen bij de weg zetten, wij mut de weg riezen (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rijzen , riezen , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. rijzen As het mengsel veur euliekoouken klaor was, dan mus het een toertie riezen (And) 2. de samenhang verliezen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) De tun rees oet mekaor (Dro), Een dikke vracht holt, ...heui kun uut mekaar riezen (Rui), De hiele cake ris je oet mekaar gaat over het bakblik (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rijzen , rijzen , (rees, rezen, gerezen), 1) stijgen; 2) uitdijen, uitzetten: de mik begint te rijzen; 3) Langzamerhand afvallen van bloemen of bladeren; 4) van korsten op een wond zegt men dat ze rijzen of afrijzen: groter of kleiner worden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rijzen , rîêzen , res, rees / rîêzen, erezen , 1. rijzen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vallen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rijzen , riezn , rijzen. ’t Beslag is ereezn. ’t Ris de panne uut.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rijzen , rijzn , verliezen, uitvallen. As de boekweite zo dreuge was, dan verspeuln iej zo veule zaod deur ’t rijzn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rijzen , riize , rijzen , Vur't bróód in d’n oove gi, moet’tet nog wa riize, anders sleu'get nèr. Voordat het brood in de oven gaat, moet het nog wat rijzen, anders slaat het neer.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
rijzen , riezen , bijvoeglijk naamwoord , van rijshout
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rijzen , riezen , werkwoord , rijzen, opzwellen, uitzetten: vooral van deeg, beslag
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rijzen , rèìjze , afvallen van dennennaalden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rijzen , rèèze , reizen, rijzen.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
rijzen , riezen , (werkwoord) , ris, rees/riezen, erèzen , rijzen. ‘t Beslag giet al riezen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
rijzen , riêze , werkwoord , riêsj, rieës/rees, gerieëze/gereêze , rijzen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
rijzen , rèèze , sterk werkwoord , rijzen, omhooggaan, zich oprichten; PM afvallen, uitvallen, neervallen (van bv. bloesemblaadjes); De Wijs – Mee deez weer mot ik aaltij rèzen, ’t is nie zô slecht mar ôk nie kaai-goed (09-07-1967); WBD III.1.2:8 'rijzen' = omhooggaan; ook: stijgen, klimmen, klaveren; B rèèze - rêes - gereeze ook zwak?; — vocaalkrimping komt niet voor; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RIJZEN (rééze), (iteratiefvorm: rijzelen) uitvallen van koren uit de droge halmen; ook gezegd van stof dat door kieren van de zolder naar beneden komt. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; re.ze(n) st. en zw (et reesde) ww intr. rijzen, afvallen resp. uitvallen (vooral v. bladeren en van zaad). WNT RIJZEN (II) Uit de hoogte omlaag gaan. In de alg. taal v. N.-Nederl. onbekend. A. (geleidelijk) naar de laagte gaan of komen van b.v. bladeren, zaad, zand, stof, meel, gruis e.d. enz. Z.a. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RIJZEN - nederwaarts bewegen, dalen, zachtjes naar beneden komen, neerwaarts glijden; glijden, baantje glijden.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
rijzen , rie~ze , raes – geraeze , rijzen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal