elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ritten

ritten , [ondermijnen] , ritten , (transitief werkwoord) , rellen, ondermijnen. Mollenritten zijn nadeelig voor wei- en hooiland, één mol maakt soms in korten tijd een rit van 20 tot 30 ellen lengte: al wroetende met zijn snuit ligt hij de graszode op, zoo dat de graswortels breken en loslaten, hetwelk men op korten afstand merkbaar kan hooren.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ritten , ritten , (zwak werkwoord, intransitief) , Ritten graven; van een mol. Zie rit I. || Wat is de mol weer an ’t ritten ’eweest. Je ken ’em horen ritten (nl. door het breken en losspringen der wortels van het gras). – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 89).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ritten , ritte , werkwoord , Ritten graven (van mollen).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ritten , ritken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents veengebied) = gejaagd zijn bij alle werkzaamheden Lig toch nich zo te ritken (Bco), Hij zit aal achter joe an te ritken jagen (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal