elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: robben

robben , robben , (intransitief werkwoord) , rossen, ravotten. Kinderen willen graag robben en rossen. Je robt de kleeren van je lijf. Dat robt wat af.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
robben , robbe , werkwoord , Stoeien, ravotten. Zie het N.E.W. onder robben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
robben , robbe , werkwoord , rob, robde/robbende, gerobd , het door jongens stelen van noten of fruit Ze waere in het Schinkeltie an ’t neute robbe
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal