elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roodschier

roodschier , [rood gespikkeld] , roodschier , (bijvoeglijk naamwoord) , rood gespikkeld. Een rund met fijn gestreept of gespikkeld rood en wit haar.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
roodschier , roodschier , (bijvoeglijk naamwoord) , Van koeien. Donkerrood van kleur, met fijn gestreept of gespikkeld rood en wit haar. Thans weinig gebruikelijk. || Een rootschier (onder een aantal verkochte koeien), Custb. (a° 1746). Roodschier is ook in de Beemster bekend (BOUMAN 90). – Schier is grauw.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal