elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rouwkoop

rouwkoop , rouwkoop , (mannelijk) , verdriet of spijt van eenen koop.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
rouwkoop , rouwkoop , (mannelijk zonder meervoud) , boete, kooprouw. Die iets koopt, doch berouw krijgt en zijn woord terug neemt, moet rouwkoop betalen; hij onderhandelt met den verkooper over eene som, om van den koop ontslagen te worden. Zie verder op het woord katten.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
rouwkoop , roukoup , mannelijk , rouwkoop. Oorspronkelijk het bedrag of vergoeding, dat een koper moest betalen aan degeen, die hij afgeboden had om een gedane koop ongedaan te maken. Deze betaling geschiedde meestal in drank. Indien nodig, werd het verschuldigde bedrag door het Ding bep
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rouwkoop , rouwkoop , de , rouwkoop, uitkoopgeld Aj spiet van een koop hebben, dan moej rouwkoop betalen (Klv), Ik wil oe wel rouwkoop geven (Dwi), Hij gaf 25 gulden en kun de kou holden (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rouwkoop , rouwkoop , zelfstandig naamwoord , de 1. geld dat een koper of verkoper geeft om een koop ongedaan te maken, rouwgeld, geld dat men terugbetaalt als het verkochte minder waard blijkt te zijn dan aangenomen mocht worden 2. koop of verkoop waarvan men al snel spijt krijgt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rouwkoop , roûwkoüp , spijt , (van een gesloten koop) roûwkoüp (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal