elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruiterig

ruiterig , [jeukerig] , ruiterig , (bijvoeglijk naamwoord) , jeukerig, rappig. Als het vee in een doffen stal staat, en niet behoorlijk gereinigd en geroskamd wordt, dan ontstaat er spoedig eene huidziekte, waardoor zich op de weinig behaarde gedeelten schurftachtige korsten vertoonen, men zegt dan: het vee is ruiterig.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ruiterig , roetêrg , wordt van bouwland of tuingrond gezegd waar veel onkruid groeit; roetêrg land, tegengestelde van: schoon land. Zie: roet 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ruiterig , ruiterig , (bijvoeglijk naamwoord) , Schurftig, van vee dat in een vochtige stal staat en niet behoorlijk gereinigd en gekamd wordt. Vgl. Ned. ruit, schurft. || De roodbonte is ruiterig. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 90).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ruiterig , roeterig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , vol onkruid Dat is roeterige grond (Hol), Aj niks an je laand doet, wordt het roeterig (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ruiterig , ruterig , ruderig , bijvoeglijk naamwoord , (Kop van Drenthe). Ook ruderig = schurftig Mien aarm is wat ruterig (Wtv), Ruderige plekken (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ruiterig , ruterig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. begroeid met onkruid 2. bijna geheel kapot, versleten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal