elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruttelen

ruttelen , ruttelen , (transitief werkwoord) , kwantselen, ruilebuiten. Hij ruttelt in oude paarden, het is een ruttelaar, een ruilebuiter. Kunnen zij geen degelijken handel drijven dan gaan zij aan het ruttelen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ruttelen , ruttelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Een pruttelend of rommelend geluid maken. || Wat ruttelt die koffie (van koffie die hard staat te koken). De heleboel kwam ruttelend na benedene (t.w. de sneeuwlaag op een dak). Evenzo van stenen, gruis, modder en andere stoffen, die met geraas langs een buis naar beneden glijden. – Vgl. het gaat rutterdetut, het maakt een ruttelend geluid. – In Vlaand. zegt men ruttelen van rammelende geldstukken (SCHUERMANS, DE BO). Ook door Ned. rotelen en reutelen worden verschillende geluiden weergegeven; vgl. DE JAGER, Freq. 1, 540. – Ook gezegd van een zaakje, waarin niet veel omgaat, maar dat zowat aan de gang gehouden kan worden. || “Hoe gaat ’et met zen winkeltje?” “Nou, ’et ruttelt zo’n beetje”.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ruttelen , ruttele , werkwoord , Van alles opkopen en weer verkopen, scharrelen, sjacheren. Zegswijze dat ruttelt wel, dat loopt wel los.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ruttelen , ruttele , roetele , werkwoord , Ratelen, ritselen, rommelen, rommelend bezig zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ruttelen , ruttern , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. een bepaald geluid maken (Zuidwest-Drenthe, zuid) Aj de baander lös of dichte trekt, dan horrelt en ruttert dat wat (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal