elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: saai

saai , saai , (bijvoeglijk naamwoord) , zacht, temerig, langzaam en temerig. Het is een saaie prater, het komt er alles zoo saai uit.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
saai , saoje , (vrouwelijk, onzijdig) , saai, wollen stof.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
saai , saai , saoi , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook saoi (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = saai Wij hadden een feesie, mor het was mor een saaie bedoening (Eke), Ze hef een saaie jurk an (Zey)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
saai , saoi , saai
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
saai , saoj , stof voor vrouwenrok. Vrogger zag iej wel ’n vrouwe met ’n saojn rok.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
saai , seet , saai; ’n sete Teunis; ’n sete Trui, een saaie vent; een saaie vrouw (seet is ook een andere naam voor sajet)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal