elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sabel

sabel , sabel , (mannelijk) , sabels , das, halsdoek van sabel. Voor lang droegen de vrouwen kostbare halsdassen, gemaakt van het vel van ’t sabeldier; sedert eenige jaren dragen de mannen hier vrij algemeen sabels van wol of katoen vervaardigd.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
sabel , sabel , (mannelijk) , sabels , sabel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
sabel , sabel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Wollen of katoenen das, bouffante, cache-nez, die bij koud weer om de hals geslagen wordt. || Doen je sabel maar om. Je benne goed in’estopt, oud, mit ’en sabel over je oren. Wat ’en mooie sabel. Gekleed als een oude Wollenaaister, met een muts met hangende slippen op ’t hooft hebbende, en een sabel om de hals, De mislukte List 64. – Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 6, 310; Navorscher 7, 259; BOUMAN 91). De sabel was vroeger van bont, oorspronkelijk van sabelbont; vandaar de naam. Vgl. BEETS, Camera Obscura13 151: “Een degelijke, ruige, ouderwetsche, dikke vette mof, van een fiksche langharige vossenhuid, waarbij een dito halsbekleedsel behoorde, waarmee onze grootmoeders over haar doek naar de kerk gingen, waarin wij daar ter plaatse nu nog een enkele oude keukenmeid zien verschijnen en dat den naam van sabel draagt”.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sabel , saabĕl , ond. molen, 37.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
sabel , zabel , zelfstandig naamwoord de , Variant van sabel, groot (hak)mes. Zie koôlsabel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sabel , saabel , mannelijk , saabele , saebelke , sabel. Mit saabel en sjakkoo: gesteven en gestreken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
sabel , sabel , saobel, saebel , de , sabels , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook saobel (Noord-Drenthe), saebel (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. sabel Vrogger had de plietsie een sabel an de fiets hangen (Pdh), Hij was niet bange, hij gunk er mit de blanke sabel op of (Geb) 2. lisbloem, Typha latifolia c.q. T. augustifolia (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Der waren blauwe en gele saebels in de sloot (Dwi), z. ook sabelbloem
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sabel , sabel , sabel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
sabel , saobel , sabel , zelfstandig naamwoord , de 1. sabel 2. penis
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sabel , sabel , zelfstandig naamwoord mannelijk , sabels , sébelke , sabel , VB: Bié de sjöttery dräoge de offesere 'nne sabel.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
sabel , sabel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , sabels , saebelke , sabel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal