elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: saggelen

saggelen , [waggelen] , zaggelen , (intransitief werkwoord) , langzaam voortgaan, traag loopen, waggelen, schommelen, slepen, slurven. Hij zaggelt, wij zijn maar zoo zachtjes voort gezaggeld, het paard zaggelt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
saggelen , saggelen , zaggelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Daarnaast zaggelen. Slenteren, langzaam lopen; ook waggelend, lamlendig lopen, sleepvoeten. || Zo’n hele dag lopen saggelen, deer wor-je ziek van. Wat heb-je weer ’ezaggeld: ik had nag ’ezeid, dat je anmake (voortmaken) moste. – Kijk die ouwe man deer es an komt saggelen, hij ken temet niet meer. Hè, wat saggelt dat peerd. – Zaggelen is ook in de Beemster gebruikelijk (BOUMAN 116). Bij hollandse schrijvers uit de 17de en 18de e. komt saggelen, en vooral het zelfstandig naamwoord saggelaar, lummel, sukkelaar, herhaaldelijk voor (DE JAGER, Freq. 1, 551; OUDEMANS, Wdb. op Bredero 319). Het Fri. heeft sjaggeltje in dezelfde zin (HALBERTSMA 673). Vgl. ook Eng. to sag, to droop, be depressed (SKEAT 522 b) – Zie voorts bezaggelen, gesaggel en saggelig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal