elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: scharminkel

scharminkel , scharreminkel , (mannelijk) , scharreminkels , scherminkel, magerbeen. Het is een magere scharminkel, een leelijke langbeen, een aap.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
scharminkel , sjerminkel , onzijdig , sjerminkele , scharminkel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
scharminkel , scharminkel , de , scharminkels , 1. scharminkel, mager mens of dier Dat hondtie is maor een maeger scharminkel (Vle), Wat een hoge pries veur zo’n scharminkel (Noo), z. ook schemiel 2. persoon Lillijk scharminkel, wol ie mij vertellen wat a’k doen en laoten mut? (Hol), Wat een zunige scharminkel (Bui), Wat een scharminkel van een vent onplezierig persoon (Pes); ook schreminkel (Zuidwest-Drents zandgebied) Dat wicht dat is toch een schreminkel! (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
scharminkel , scherminkel , scharminkel , Un hiil maoger koej daor zègge ze van dé't 'n scherminkel is èn dé's érg vur die koej. Een heel magere koe noemen ze 'n scharminkel en dat is erg voor die koe.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
scharminkel , scharminkel , scherminkel, schraminkel, schreminkel, schrebinkel , zelfstandig naamwoord , et, de; scharminkel, mager mens of dier, ook wel gezegd van sommige oude, er slecht uitziende voorwerpen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
scharminkel , sjarmeenkel , zelfstandig naamwoord onzijdig , sjarmeenkels , sjarmeenkelke , scharminkel , VB: Dat vrommes hèt liéf nog ziel, wat e sjarmeenkel.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
scharminkel , sjarminkel , (onzijdig) , sjarminkels , sjarminkelke , scharminkel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
scharminkel , scharmînkel , zelfstandig naamwoord, onzijdig , scharmînkels , scharmînkelke , dier, erg mager , persoon, erg mager
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
scharminkel , scharminkel , zelfstandig naamwoord , betiteling van een lang, mager mens; WBD III.4.3:48 scharminkel - lange, dunne boom; ook: zwieper, zwieperd, sliert, spar of schieter; S&S SCHERMINKEL, SCHRAMINKEL: oud en mager wijfken, Corn. Vervl. 1073; Zie WNT XIV 286, bet.4. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHARMINKEL, SCHERMINKEL zelfstandig naamwoord o. - oud en mager wijfken; WNT 3CHARMINKEL - 1) Aap (verouderd); 2) duivel, booze geest; 3) geraamte; 4) zeer mager persoon
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal