elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: scheg

scheg , scheg , (vrouwelijk) , scheggen , wig, drijfhout. Met scheggen aandrijven. Hij slaat er een scheg tusschen; timmermanswoord.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
scheg , scheg , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Verkl. schecchie. Een wigvormig stuk hout; voor verschillende doeleinden (bij timmerlieden, in molens enz.). || Slaan der maar ’en skeg tussen. We moeten ’et mit scheggen andrijven. – Ook een dikke snee of homp brood. || Geef me nag maar ’en schecchie. – Zo ook elders in N.-Holl. (BOUMAN 92). In W.-Friesl. is een skeg ook een scherpe kin, bij oude mensen. || Hij krijgt al een skeg (De Ned. Taal 6, 212). – Ook voor neus. || Hij heb ’en kromme scheg. Wat ’en skeve skeg. – Zo ook te Amsterdam. – Ned. scheg(ge) is het getimmerte dat als een punt voor de voorsteven van het schip uitsteekt en tot steunpunt dient voor de boegspriet; zie verder de wdbb. wat betreft de verwante woorden in andere talen. – Vgl. scheghout.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
scheg , skeg , zelfstandig naamwoord de , 1. Scherpe vooruitstekende kin. 2. Grote, scherpe neus. 3. Bijbol of -scheut van o.a. een tulpebol. Zegswijze ’n skeg make, hooi- of strobalen zodanig op de wagen laden, dat ze in verband liggen en enkele balen iets uitsteken. Vgl. het N.E.W. onder scheg.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal