elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schiftig

schiftig , [schichtig] , schiftig , (bijvoeglijk naamwoord) , schuw, schichtig. Dat paard is schiftig, schrikt spoedig en is van wege het onverwacht zijdelings wegspringen gevaarlijk.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
schiftig , skiftig , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Schiftig (van melk). 2. Schichtig, schrikachtig. | ’t Is ’n skiftig peerdje. 3. Boos, driftig. Vgl. giftig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schiftig , schiftig , schifterig , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook schifterig (Zuidwest-Drenthe, noord) = geschift, van melk De melk is schiftig (Sle), Schifterige melk (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schiftig , schiftig , bijvoeglijk naamwoord , kennelijk tot schiften overgaand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schiftig , schifteg , bijwoord , haastig, ongeduldig, driftig Je eet en je praot te schifteg, bing j’ aaige toch is wat in
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schiftig , schiftig , nijdig, gauw geprikkeld (combinatie van driftig en schichtig); hij wier ’n beetjie schiftig
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal