elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schinsteren

schinsteren , [glinsteren] , schinsteren , (intransitief werkwoord) , glinsteren, lichten, flonkeren. Het licht schinstert in de verte, men zag nu en dan een kleine schinstering van het licht.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
schinsteren , skinstere , skienstere , werkwoord , 1. Schitteren, glinsteren. 2. Platte keitjes over het water laten scheren, zodat ze steeds (glinsterend) opspringen (Noord-Scharwoude).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal