elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schipperen

schipperen , beschipperen , (transitief werkwoord) , besturen, leiden, regt houden. Er behoort nog al wat toe om dat alles goed te beschipperen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
schipperen , schipperken , zie schanzijern * (bldz. 559.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schipperen , skippere , werkwoord , Ook: met de kloet varen. | Stop maar, zoet, leit moin maar skippere (Opperdoes).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schipperen , sjippere , werkwoord , sjipperde, haet gesjippert , gevangen nemen, schipperen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schipperen , schippern , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. schipperen, naar omstandigheden handelen Hij mus overaal tussendeur schippern (Erf), Wij mön altied schippern um rond te komen (Mep) 2. voor elkaar krijgen, overleggen Dat mutte wij mar zien te schippern (Ker), Wij zult dat samen wel schippern (Nije)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schipperen , sjippere , werkwoord , sjipperde, gesjipperd , passen en meten , VB: Ze môtte sjippere vuur mêt hön loen dao te koëme.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schipperen , sjippere , werkwoord , sjippertj, sjipperdje, gesjipperdj , schipperen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal