elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schossen

schossen , schossen , (intransitief werkwoord) , opkoopen. Zij die het vee aan de huizen der landlieden of aan den ingang der markt opkoopen en terstond weer aan de markt verkoopen, noemt men schossers. Men vindt op jaarmarkten dikwijls veel schossers.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
schossen , schossen , (zwak werkwoord, intransitief) , Vee opkopen, om het terstond weer te verhandelen. Zie schosser. || Hij verdient alle jaren ’en mooi duitje mit schossen. – Evenzo elders in N.-Holl. Navorscher 7, 289; BOUMAN 94).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schossen , skosse , werkwoord , Vee en pluimvee opkopen en weer verhandelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal