elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schot zetten

schot zetten , [spoed maken] , schot zetten , (intransitief werkwoord) , spoed maken, hard loopen, snel rijden, hetzij te paard, met rijtuig of op schaatsen. Hij zet schot.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal