elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schotwal

schotwal , [wal van aarde of bagger] , schotwal , (mannelijk) , schotwallen , De uit de sloot gebaggerde of met de schop opgeschoten aarde, die op den kant van het land wordt geworpen, heet schotwal: deze wordt vervolgens weggenomen, om tot bemesting van het land of tot andere einden gebruikt te worden.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
schotwal , schotwal , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , De wal van aarde (meestal bagger ’uit de sloot) of mest, die op de kant van een stuk land wordt opgeworpen. Men laat de schotwal de winter over liggen om door te vriezen en brengt dan de aarde over het land ter bemesting. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 94). || De Gemene-Lands Wegen ende Kayen, als ook particuliere Schot-Wallen in de Zype, Octr. v. d. Oude Zype, Titel 34 (a° 1710). – Vgl. Ofri. scote (WIARDA 318), Oost-Fri. en Ndd. schot, uit de sloot gebaggerde natte aarde (KOOLMAN 3, 138 b). – Zie schotwallen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schotwal , skotwal , skotswal, skoswal , zelfstandig naamwoord de , 1. Grond die bij het graven van een sloot op de wal werd ‘geschoten’ of gegooid. 2. Figuurlijk voor gestampte witte of bruine bonen met aardappelen en vet, een zeer voedzaam en snel te bereiden maal, dat voorheen op drukke dagen (bv. op wasdag) werd gegeten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal