elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schrooi

schrooi , schroei , (mannelijk zonder meervoud) , honger, eetlust. Hij kreeg schroei, wat heeft dat paard een schroei. De maag begint te schroeien.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
schrooi , schroei , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Grote honger. || ’k Heb zo’n schroei. Ik krijg schroei van dat harde werken. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 95) – Bij HARREBOMEE 2, LI wordt vermeld: “Hij heeft schroei in de maag”, terwijl in de Beemster ook gezegd wordt: “De maag begint te schroeien” (BOUMAN, t.a.p.).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schrooi , skroei , zelfstandig naamwoord de , (Hevige) honger, (verouderd). Vgl. Fries skroei. Het woord is mogelijk een afleiding van schroeien in de zin van ineenschrompelen (van honger). Zie ook het N.E.W. onder schroeien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schrooi , skrooi , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze op skrooi gaan, variant van op schooi gaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schrooi , schrui , (N:Rod), in Ik heb gien schrui trek in eten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal