elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schrot

schrot , schrot , (onzijdig zonder meervoud) , kleingoed, afval, uitschot, kriel; het is schrot. Al wat klein, achterblijvend en onvolgroeid is noemt men schrot. Daar loopt veel schrot onder.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
schrot , schròt , klein goed.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schrot , schröt , schröte , wat klein, nietig is in zijne soort, niet volgroeid, uitschot; schröt van goud, vooral van appels, peren, noten, enz. Inzooverre synoniem met: kriel, als het op de handelswaarde geene betrekking heeft, maar hiervan verschillend, omdat men het alleen toepast op vruchten die uit de hand gegeten worden. Eenigszins verdrietig zegt men kinderschröt, (als: kindergespuis, kindergepeupel), wanneer zij oudere menschen in den weg loopen of op andere wijze last aandoen. Zeeland schrotte, Noord-Holland skrot, Oostfriesch schrod, schrot = kleine, waardelooze voorwerpen, afval, enz.; schrod, van aardappelen, peren, spijkers, enz.; Nederduitsch schrod, schrood, Middel-Nederduitsch schrode, Middel-Hoogduitsch schrôt, Kil. schroode = schroye = deel, afgesneden stuk; Hoogduitsch Schrot = afgesneden, afgehouwen, afgezaagd stuk, van het Oud-Hoogduitsche scrôtan, Middel-Hoogduitsch schrôten, Hoogduitsch schroten = snijden, vermalen, verdeelen, enz. Zie ook: schroat en vgl.: schroot, en schreur.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schrot , schròt , (onzijdig) , Grut, kriel, dingen klein in hun soort b.v. visschen, appels, enz.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
schrot , schrot , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , zonder meerv. Klein, slecht goed; afval, uitschot; vooral van vruchten die niet volgroeid zijn (de Wormer). || Wat loopt ’er ’en schrot onder die peren. Schift ’et schrot er maar uit. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 95; O. Volkst. 2, 176), in Gron., Oost-Friesl., Overijs. enz. het woord behoort bij schroden. Vgl. Ned. schroot.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schrot , schròt , (onzijdig) , Grut, kriel, dingen klein in hun soort, bv.: visschen, appels, enz.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
schrot , schrôdde , schrôt , klein goed
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
schrot , skrot , zelfstandig naamwoord ’t , Afval, uitschot, o.a. van vruchten. Het woord is een afleiding van schrooien of schroden dat oorspronkelijk besnoeien, fijn- of stuksnijden betekende. Wat na het schrooien overbleef was het schrot. Vgl. Nederlands schroot = ijzerafval. Zie het N.E.W. onder schrooien en schroot.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schrot , schrót , schrödde, schröt, schrut , de , (Zuidwest-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook schrödde (Veenkoloniën, Zuidwest-Drents zandgebied), schröt (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), schrut (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. kleine, minderwaardige vrucht(en) Gooi dat schrot mor veur de koenen kriel (Sle), Het bint gien mooie appels van het jaor, het is almaol schrot (Eex) 2. kleine mensen of dieren, wat denigrerend Het is mainst schrödde, wat ik vongen heb kleine visjes (Twe), Er luip een heile bult van dat klaaine schröt op straot grut (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schrot , schrot , kleine visjes.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schrot , schrot , zelfstandig naamwoord , et; schrot, kriel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schrot , skrot , zelfstandig naamwoord , fijne hagel (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal