elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: scrupuleus

scrupuleus , schrimpeljeus , (bijvoeglijk naamwoord) , schrimpelig, schrimmelig, beschrookt, roesterig; een schrimpeljeus gezigt. Men gebruikt dit bastaardwoord alzoo in de beteekenis van leelijk, onaanzienlijk, meermalen evenwel ook in den zin van beschroomd, onnoozel, beschimmeld, verlegen; zij is zoo schrimpeljeus. Scrupuleus.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
scrupuleus , schrimmeljeus , scrupuleus , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Schroomvallig. || Wees nou niet zo schrimmeljeus, maar zeg ’et ’em ronduit. Hij gong er schrimmeljeus op of. – Evenzo elders in N.-Holl.; ook in de vorm schrimpeljeus (Navorscher 7, 289; BOUMAN 95). Het woord is een vervorming van scrupuleus.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
scrupuleus , sjruppeleus , bijvoeglijk naamwoord , sjruppeleuzer, sjruppeleuste/sjerpeleuzer, sjerpel , scrupuleus.; sjerpeleus scrupuleus: uiterst fijngevoelig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
scrupuleus , sjruppeleus , bijvoeglijk naamwoord , angstvallig , VB: 'r Hèr dat gehym altiéd sjruppeleus vuur zich gehawe.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal