elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sjofel

sjofel , sjofel , (bijvoeglijk naamwoord) , arm, ellendig; een sjofel huisgezin, een sjofel bestaan, een sjofele mijnheer. Het gaat er sjofeltjes bij langs. Het woord is zeker van de Joden overgenomen. Men zegt ook wel schofel.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
sjofel , sjofele , m , armoedzaaier ’ne sjofele Een armoedzaaier.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
sjofel , sjoofel , bijvoeglijk naamwoord , sjoofele maazematte: slechte tijden, bargoens.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
sjofel , sjofel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , armoedig, sjofel Ze zult het wel niet bried hebben, want ze koomt er aordig sjofel uut komen armoedig voor de dag (Bro), Wat löp dat maagien der sjofel bij (Hav), Hij zit sjofel in de kleren (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sjofel , sjouwel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. krap, schaars 2. hetz. als sjofelties
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal