elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slobben

slobben , [bevuilen] , slobben , (intransitief werkwoord) , bossen, straten en vloeren met morsige voeten vuil maken; de hond slobt, de kinderen slobben. Als de koeweide zacht en week is, zoo dat het vee er met de spitse klaauwen intrapt, zegt de boer: “de koeien slobben.” Van daar noemt men de varkens, die meestal uit den aard niet zindelijk zijn, slobvarkens, en zegt voor een spreekwoord: “Een slobbende hond ontziet geen sloot.”
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
slobben , slobben , (slòbbə) , (zwak werkwoord, transitief en intransitief) , Door modder en vuil waden, en vandaar in zonderheid iets dat schoon is met morsige voeten vuil maken. Zie synon. op beerzen. || Loop niet zo te slobben, me vloer is net schoon. Hij slobt alles onder mit zen smerige poten (van een hond gezegd). – Evenzo elders in N.-Holl. (zie BOUMAN 96); ook bij oudere schrijvers (zie DE JAGER, Freq. 2, 551). – Vgl. beslobd.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slobben , sloepe , Het geluid van slepende schoenen Wa sloepte toch! Het geluid van slepende schoenen maken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
slobben , slobbe , werkwoord , 1. Met vuile voeten binnenlopen. | Niet zô slobbe, ’oor, je slobbe de héle boel onder. 2. Vuil worden. | ’t Slobt zó mit dat natte weer, je kroige al die slobberaai in huis.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
slobben , slobben , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = sloffen Die schoenen bint mij te groot, die slobt mij an de bienen (Oos), z. ook slobbern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slobben , slòbbe , zwak werkwoord , "N. Daamen - Handschrift 1916 – ""slobben - morsen - hij heet er onderweg 'n paar geslobt (verloren)""; WBD III.1.3:10 'slobberen' = niet passen (van kleding) ook: 'flodderen'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal