elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slurven

slurven , [slepen] , slurven , (intransitief werkwoord) , slepen, met de voeten langs den grond schuiven; hij loopt te slurven; het paard slurft, geen wonder dat het dikwijls struikelt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
slurven , slurven , (zwak werkwoord, intransitief) , Met de voeten langs de grond schuiven, sloffen. || Slurf niet zo met je voeten. Als je zo slurve, zel je nag struikelen. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 97). In dergelijke opvattingen is het woord ook elders bekend; vgl. DE JAGER, Freq. 2, 534.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slurven , slurve , werkwoord , Sloffend lopen, sleepvoeten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
slurven , slurven , werkwoord , opnemen, opzuigen in, (als) met een slurf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal