elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smiesterig

smiesterig , [nat] , smiesterig , (bijvoeglijk naamwoord) , iesterig, nat, vies, vochtig, smeerig. Smiesterig weer, smiesterige kat.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
smiesterig , smiestereg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 groot, smerig, 2 nattig, kil, van weer
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
smiesterig , smiesterig , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Miezerig, vochtig nat en smerig. | Wat ’n smiesterig weer. Wat ziet de kat er smiesterig uit. Vgl. miesterig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
smiesterig , smiesterig , 1. vuil, gemeen. 2. vochtig, nat (van het weer).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
smiesterig , smiesterig , vuil, smerig, gemeen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
smiesterig , smiesterig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , smerig, gemeen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal