elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smoes

smoes , smoesjes maken , gekheid, praatjes maken, zich met eene aardigheid ergens afhelpen.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
smoes , smoes , (mannelijk) , smoezen , een smoesje, streek, list, bedrog, koopmanslist, jodenstreek. Van daar: Het is een smoesje, ik smoes hem niet.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
smoes , smoesies , geheime vrijerij met een meisje; “Dat ie nou nog met andre meiden In banderhoekies smoesies maokt.” Ook Gron. Dordt. – Holst. smusseln = de hoofden bij elkaar steken, heimelijke afspraak maken, iets dat niet veel goeds verraadt. NHoll. smoes = opgemaakt vertelseltje, leugen in verzachtenden zin.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
smoes , smoezen , uitgevroren turven- of veenkluiten. In Gron.: smoezîg vuur = vuur dat niet wil vlammen, en: smoezen, synon. met: smoegen. Zie: smoeger.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
smoes , smoesie , smoesje , voor: gevalletje, enz.; met een meisje ’n smoesie moaken, zooveel als: haar in ’t geheim spreken, eene afspraak met haar maken, een oogenblikje met haar stoeien of vrijen; ook Drentsch, Dordrecht; ’n mooi smoesie = een mooi geval. Komt iemand niet rond voor de zaak uit, heeft hij voorwendsels en uitvluchten, dan zegt men: smoesies! of: allemoal smoesies! Noord-Hollandsch smoes = opgemaakte mouw, leugen in verzachtenden zin; Den Haag smoesje = voorwendsel; Holsteinsch smusseln = de hoofden bij elkander steken, heimelijk samenspannen; Oostfriesch smûstern = in ’t geheim met elkander spreken, elkander heimelijk kussen. Vgl. ook het Zweedsch smusla = tevoorschijn handelen.
[meervoud] smoesies, smoesje; zie ook: dōnderderei.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smoes , smoes , (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk) , Iemand die smoest, valsaard. Zie smoezen. || ’t Is ’en smoes. – In de zin van praatje, uitvlucht, bedrieglijk voorwendsel, is het woord (vooral in verkl.) algemeen beken. || Wat ’en smoes (gezegd als iemand met een klaarblijkelijk verzonnen verontschuldiging voor de dag komt). Dat benne allegaar smoesies (er is niets van gemeend).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
smoes , smoes , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , overrompeld, terneergeslagen, perplex. Dat is smoes, dat is een smoesje
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
smoes , smoes , de , smoezen , Vaak verkl. = 1. smoes, uitvlucht Hij har een goeie smoes bedacht; jammer dat ik er niet intrapte (Nam), Het smoesien is goed, maar het praotien deugt niet (Mep), Glimmen van de smoesies spottend gezegd, als iem. teveel poetst en wrijft (Hgv) 2. geheime vrijerij met een meisje (wm, ti) Dat ie nou nog met andere meiden in banderhoekies smoesies maokt (wm), (...) waor men nooit gien smoezien met maoken kan en is een plezierig ogenblik deurbrengen kan (ti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smoes , smoesien , smoesje
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
smoes , smoesje , smoes , Ut smoesje is goed mér’t prôtje deugt nie. De smoes is goed maar het praatje deugt niet. Alle naar voren gebrachte smoesjes worden niet geloofd.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
smoes , smoeze , zelfstandig naamwoord , de 1. smoes, minderwaardig, overjarig stuk turf of turf uit brak water, turf die nog niet droog was toen het begon te vriezen en daardoor van mindere kwaliteit is 2. smoes, verzinsel, uitvlucht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smoes , smoes , smoesien , zelfstandig naamwoord , et; smoesje: verzinsel, uitvlucht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smoes , smoesie , zelfstandig naamwoord , smoesies , uitvlucht, praatje Allemael smoesies Allemaal uitvluchten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal