elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smuiger

smuiger , smuiger , (mannelijk) , smuigers , rooktrekker, een houten schoorsteen met zijstukken en klep, aan de binnenzijde met blik beslagen. Dezen toestel plaatste men vroeger op den breeden vuurhaard, om zoo doende de wijde schoorsteenmantels te vernaauwen en zoo mogelijk het lastige rooken voor te komen. Later heeft men de wijde schoorsteenmantels geheel weggenomen en zoogenaamde engelsche schoorsteenen aangelegd, die van tijd tot tijd verbeterd en verfraaid zijn geworden, waardoor de draagbare smuigers in onbruik zijn geraakt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
smuiger , smoeger , smoege , langdurige, zware verkoudheid. In Gron. (WW.): an de smoegerei wezen = in de tering zijn. Van turf, die verteert, zonder vlam te geven, zegt men: dat het ligt te smoegen. Oostfr. smugen, smûgen = misten, stofregenen, als nevel verschijnen, en bijvorm van: smoken, oudt. ook smuycken, Oostfr. smôken = rooken, ZNederl. smuik, smuuk = mist, dikke nevel, stofregen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
smuiger , smuiger , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , a) Een soort van toestel dat onder en in de ouderwetse open schoorsteen wordt aangebracht, om het trekken te bevorderen; het is een schoorsteen in ’t klein met zijstukken en klep of schuif, en voor het brandgevaar van binnen met blik bekleed. || De smuiger staat zeker open; ’et trekt zo (als de klep, die de schoorsteen afsluit, geopend is). Ook sullen niemandt … mogen maeken of gebruyken eenige smuygers van hout, seyldoek of papier, waerdoor groote ongelukken van brandt souden konnen ontstaan, Hs. keur v. Westzaanden (einde 17de e.), archief v. Wormerveer. Item sal niemant … sig vervorderen omme te maken ofte stellen en houden eenige houte smuygers in de schoorsteenen, Hs. keur (a° 1732), archief v. Krommenie. Vgl. ook Priv. v. Westz. 486 (a° 1644), waar van “Smuygers” in tegenstelling met “Schoorstenen” sprake is. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 98). b) Gewoonlijk verstaat men echter onder de smuiger de gehele schoorsteen voor zover die zich binnen bevindt, d.i. dus de boezem, soms ook de schoorsteenmantel. || Een ouwerwisse smuiger mit tegeltjes. Me pijp leit op ’et hoochie van de smuiger. Zes lijsten om de smuiger, 1 voet lang, zwaar 1 bij 4 duim, Hs. bestek v. zes arbeiderswoningen (19de e.). – Hogerop in N.-Holl. noemt met een kleine schoorsteen, die buiten aan het huis is aangebouwd of die zich in een klein uitbouwsel of kombofje bevindt een smuiger (N. en Z. 4, 180); evenzo heet te Hindeloopen de stookplaats bij de zomerwoning smoeger (ROOSJEN, Merkwaardigh. v. H. 93). Vgl. Gron. smoegen, roken, van turf (MOLEMA 387). – Zie de samenst. smuigerhout, smuigerijzer, smuigerrand.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
smuiger , smuiger , zelfstandig naamwoord de , Ook: schoorsteentje in een hoek van het achterhuis (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
smuiger , smoeger , smoege, smoeze, smoegerij , de , smoegers , (Zuidwest-Drents zandgebied, dva). Ook smoege (Zuidwest-Drenthe, noord, dva), smoeze (Zuidwest-Drenthe), smoegerij (Zuidoost-Drenthe) = rondgaande verkoudheid, griep De hiele buurte is grieperig. Het is weer zo’n smoege, die rond gaot (Nije), Oeze kinder hebt allemaol wat last van smoegerij (Bco), Hij kreeg ook een smoege met kreeg ook een staartje mee (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smuiger , smoeger , zelfstandig naamwoord , de; slechte, overjarige turf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smuiger , smieuwkerd , zelfstandig naamwoord , de; vleier, mooiprater
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smuiger , smiekerd , 1. vleier; 2. deugniet.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal