elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smul

smul , smulje , (onzijdig) , smuljes , smul, smulletje, eene korte tabakspijp, die door langdurig gebruik smullig en bruin geworden is. De liefhebbers van tabakrooken houden er doorgaans zulk een smulje op na.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
smul , smulje , zie: dōffie, en: smantje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smul , smul , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) Haardplaat, de staande plaat onder de schoorsteen waartegen het hek voor het turfvuur is geplaatst. Thans met de veranderde wijze van stoken verouderd. 2) Meestal in verkl. smultje. Een kort, berookt stompje pijp. || Hij loopt altijd mit ’en smultje tussen zen tanden. – Ook als bijnaam van een boer te Assendelft: Jaap Smul (of Jaap Pijp). – Ook in de Beemster bekend, in de vorm smulje (BOUMAN 98). Beide betekenissen behoren bij Ned. smullig, smerig, vuil, en besmullen, vuil maken; zie DE JAGER, Freq. 2, 577.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal