elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snarsig

snarsig , [vies] , snarsig , (bijvoeglijk naamwoord) , smiesterig, berookt, vies. Men zegt van eene vrouw, die er smeerig en berookt uit ziet, even als of zij al eens gebraden is: het is een snarsig wijf. Zoo zegt men ook wel als het weer nat en vies is: het is snarsig weer.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
snarsig , snarsig , (bijvoeglijk naamwoord) , Vuil, smerig, vies. || Wat ’en snarsig kind (b.v. met een vieze neus). ’t Is ’en snarsig wijf (dat er onooglijk en vuil uitziet). – Evenzo in de Beemster waar men ook spreekt van: snarsig (d.i. nat en vies) weer (BOUMAN 99).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
snarsig , snarsig , bijvoeglijk naamwoord , Smerig, vies, berookt (verouderd). | Wat ’n snarsig weer. Zo’n snarsig woif. Vgl. Boek. onder snarsig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal