elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snorren

snorren , [stelen] , snorren , (intransitief werkwoord) , rooven, stelen, gabberen, wegpakken, ontvreemden. Hij gaat op den snor, zij snorren hier alles weg.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
snorren , snōrren , bij een meisje zitten vrijen. Het wordt gebruikt bij de spinmalen of spinderijen, als de jongeling aan de snaar of band van het spinnewiel trekt en daardoor het meisje noodzaakt haar werk te staken. Oudt. snor, snoer = bijzit, vrijster, later schoondochter, snaar, HD. Schnur. Zie: snaorse.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
snorren , snōrren , snorken, snurken, ronken, Oostfriesch snurken, Nederduitsch snarken, snorsnarchen, Hoogduitsch schnarchen. – Ook = het spinnen der katten, ontleend aan de overeenkomst met het geluid van het snorrende spinnewiel; ook Overijselsch, Hoogduitsch schnorren, schnarren, schnarren. – En = naar zich trekken, bv. eene winst bij ’t kaartspel opstrijken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
snorren , snòrren , Spinnen (van katten).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
snorren , snarren , (zwak werkwoord, transitief) , Afstelen, afhandig maken, met een gauwigheid wegkapen. Weinig gebruikelijk. Synon. snorren. || Hij zoekt altijd wat te snarren. – Vgl. besnarrelen, snarrel, snaarderij en snarig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
snorren , snorren , (snòrrə) , (zwak werkwoord, intransitief) , Zie de wdbb. – Ook: rijden met de snor. Zie snor I, 2. || Op Pinkster snorren ze van de Dam nê ’et Mallegat (te Zaandam). – Ook elders bekend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
snorren , snorren , (snòrrə) , (zwak werkwoord, transitief) , Wegkapen, gappen. || Er valt hier niets te snorren. – Met een schertsende toespeling op snor, knevel, zegt men tegen iemand die vroeg een snor draagt: Stelen mag niet meer, wel snorren. – Het woord is ook in de Beemster bekend (BOUMAN 99). Vgl. Ned. iets (of iem.) opsnorren, opzoeken, opsporen. – Ook: handelen, zaken doen. || Bij de verkopig viel voor ons uitdragers niks te snorren; de Joden kochten alle mooie stukken. – Ook elders bekend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
snorren , snōrren* , Hoogduitsch: schnarren, schnorren en schnurren.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
snorren , snòrren , Spinnen (van katten).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
snorren , snorn , werkwoord, zwak , snel zich bewegen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
snorren , snorren , 1. snorren. 2. iemand betrappen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
snorren , snorre , werkwoord , Rijden met de snor (verouderd). Zie snor.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
snorren , snorre , snarre , werkwoord , Opsnorren, opscharrelen. Zegswijze ’n duitje snorre, een extraatje (trachten te) verdienen. Verouderde variant snarre.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
snorren , sjnäöre , werkwoord , sjnäörde, haet of is gesjnäört/sjnórde, haet of is gesjnórt , snorren.; sjnórre snorren
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
snorren , snorren , onbepaald werkwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, veroud.) = vrijen op een spinmaal Jongs zeden: Wij gaot hen snorren, daor bint spiensters (Sle) *De wichter, die moet snorren / Van sjoerum, sjoerum tralala / Ze moet de jongs wat porren / Snor, snor, snor (db), z. ook bij snor II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snorren , snorren , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. een snorrend geluid maken De kachel en de katte, die snort (Hgv) 2. (hard)rijden Wat snort wij er mooi over (Gas), Hie snorde an mij langs (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snorren , snorren , snurren , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook snurren (N:Zuidwest-Drenthe) = 1. pakken Zie hebt hum snord bij het streupen (Bor) 2. graaien, zoeken (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Hie hef alles bij mekaar snord (Sle), Ik heb al ies ien det lagien esnord (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snorren , snörren , snorren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
snorren , snorrn , spinnen van de kat.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
snorren , snorren , werkwoord , 1. een snorrend of spinnend geluid geven 2. snel gaan 3. pakken, snappen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
snorren , snorre , werkwoord , snor, snorde, gesnord , [Str] stelen van fruit uit een boomgaard, stropen Ook robbe, klippele, bôôgerde
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
snorren , sjnorre , werkwoord , sjnorde, gesjnord , betrappen
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
snorren , sjnörre , werkwoord , sjnörde, gesjnörd , voorbijflitsen , VB: 'r Sjnörde mêt 'n versjrikkelikke vitês langs mich doer.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
snorren , snoorze , werkwoord , spinnen, snorren (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
snorren , snorre , knikkerspel. Eén kind legde een tiental van zijn knikkers achter elkaar op een rijtje. De voorste knikker was van de tegenstander(s). Deze knikker was groot en van goede kwaliteit (albast). Het kind moest vanaf een bepaalde afstand met zijn knikker de albasten knikker raken. Raakte hij die, dan mocht hij alle knikkers houden. Raakte hij die niet, dan mocht degene van wie de voorste knikker was, gaan snorre, óf moest de verliezer een aantal knikkers aan zijn tegenspeler geven. Vóór het snorre werd er geneusd of gepoot met schoenen (zie: neuze)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal