elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: soes

soes , [druiloor] , soese , druiloor.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
soes , soes , (mannelijk) , soezen , dommel, bedwelming; hij ligt in een soes, hij soest.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
soes , zoeze , in de zoeze = halfdronken, bedwelmd door den drank, ook Gron. Oostfr.: in de söse = dronken zijn.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
soes , zoeze , (soes); an de zoeze wezen = aan ’t zwieren, rinkelrooien zijn en daardoor in gestadige bedwelming verkeeren. Drentsch zoes = half dronken, door den drank bedwelmd. Oostfriesch in de söse = dronken zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
soes , suze , Soes. , Suze, gaot tòch op zîd. ʼt G(i)eet hier maor in (i)eene suze dö̂r, d.i. onafgebroken of onnadenkend.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
soes , zoeze , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , zoezn , 1 sloom persoon, 2 grote hoeveelheid
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
soes , zoeze , gebak.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
soes , zoeze , sloom iemand.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
soes , soeze , soes , de , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Midden-Drenthe). Ook soes (Kop van Drenthe) = 1. halfslaap Ik kwame bij de hèerd in de soeze (Dwi), Ik was net in de soeze, toen mien buurman an de deur rammelde (Hoh) 2. (begin van) dronkenschap (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, dva) Hij was goed in de soese (Zwig), Hij was al mooi in de soes (Pei), Hie is an de soes wet aan de zwier (Eev) 3. (Veenkoloniën), in Dat is een slinger um de soeze slungelig iemand (Erf)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
soes , soezie , de , soezies , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = suffig vrouwspersoon Dat is een soezie; der zit niet al te veule bij (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
soes , sôêze , suffig mens. Een sôêze van een deerne ‘een suffig meisje’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
soes , zoeze , sufferd.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
soes , soeze , soes , zelfstandig naamwoord , de 1. soes, slaperige toestand, in in de soeze 2. klap
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
soes , soeze , (met lange oe) , (zelfstandig naamwoord) , 1. sufferd, raar iemand; 2. soes, gebak.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
soes , soeze , (zelfstandig naamwoord) , sufferd.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal