elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sollen

sollen , sullen , (werkwoord) , (met iemand of iets) = sollen, heen en weder trekken. , Gij moet dat sullen laten.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
sollen , sollen , (transitief werkwoord) , schommelen, duien. Zij heeft wat met dat kind gesold, de kinderen sollen met de poes, ze zouden haar wel van liefde dood sollen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
sollen , solle , werkwoord , 1. Schommelen, wiegen. 2. Knuffelen. Zie het N.E.W. onder sollen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sollen , solle , solde, haet gesolt , sollen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
sollen , sollen , zwak werkwoord, onovergankelijk , sollen Det kleine jonk löt nou nog gewillig mit heur sollen, mar het zal nog wel ies aans wörden (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sollen , solle , uitdrukking , ’t is goed solle medden dôôd kallef De verzekering dekt de schade
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal