elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spannen

spannen , [erg druk zijn] , spannen , (werkwoord) , erg druk zijn, hard toegaan. , Het spant er. In de herberg spande het gisteren. Wat heeft het er toch gespand! Op die tractatie zal ’t er weer spannen. Zie Snetteren en Wetteren.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
spannen , spannen , (transitief werkwoord) , binden, remmen; de koe spannen, alvorens men haar melkt, dat is, de achterbeenen boven de hakken met een spantouw binden. Enkelen doen het beneden de hakken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
spannen , spannen , voor: een span uitmaken; ’t spant nijt = ’t is geen goed span, de beide voorwerpen, enz. passen niet goed bij elkander, als paar is het geen goed of schoon geheel. Dit wordt vooral van paarden, maar ook van een paar menschen gezegd die veel in lengte verschillen, van een paar kousen, van kopjes en schoteltjes, enz. – Ook = vastspannen van de beide achterste beenen van een dier, inzonderheid van eene koe. Hiervan de vergelijking: loopen as ’n spande hoaze = niet vooruit kunnen komen, bv. van jichtige menschen. Zie ook: kniepen, en: spantau.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
spannen , spantjen , zie: spanjeroaken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
spannen , spannen , Term in ʼt knikkerspel. Den duim naar de ééne en de vingers naar de tegenovergestelde zijde zoo ver mogelijk uitspreiden, om van den eenen knikker tot den anderen te reiken.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
spannen , spannen , (sterk werkwoord) , Zie de wdbb. en vgl. span, spanbotten en spanklap. – Ook van het vastbinden der poten van een koe vóór het melken. || Je moete de koe eerst spannen. Vgl. span en spantouw. Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 100) en in Friesl.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
spannen , spannen , Term in het knikkerspel. Den duim naar de ééne en de vingers naar de tegenovergestelde zijde zoo ver mogelijk uitspreiden, om van den eenen knikker tot den anderen te reiken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
spannen , spånnen , zwak werkwoord , bij het knikkerspel de knikker, die men spannend kan aanraken. Den spån ik …: rechten voorbehouden.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
spannen , spannen , kijken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Winschoter bargoens, in: Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank
spannen , spanne , werkwoord , Spannen. Naast de voltooid deelwoordvorm spannen is de vorm spand gebruikelijk. Zegswijze Koeie spanne, de achterpoten van een koe aaneenbinden, voordat men gaat melken. – ’t Spant er an, het spant er om, het zal er om gaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
spannen , sjpanne , werkwoord , sjpande, gesjpant , spannen; benieuwd zijn. Kiek oet, ’t sjpint: kijk uit, het spant. De deur sjpint: de deur knelt. Sjpan die dao: zie hen daar. Noe bën ich toch éns gesjpant, wie dat aafdreet: nu ben ik toch benieuwd hoe dat afloopt.; sjpanne Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
spannen , spanne , werkwoord , spannen. 1. Verleden tijd is spiene. ’t Spien ’r as ’n òrdêêl. Het spande er als een oordeel. 2. Term uit kinderspelen. Als het niet duidelijk was welke knikker, cent of labbòòn het dichtst bij de meet lag, mat men het na door de hand te spannen. De afstand tussen pink en duim was de maat.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
spannen , spanne , werkwoord , het binden van een touw om de achterpoten van een koe voor het melken (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 121) Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
spannen , spannen , spanen , sterk, zwak werkwoord, (on)overgankelijk , Ook spanen (Kop van Drenthe) = 1. strak spannen Wel wil even een touw spannen tussen die twee paolen? (Hoh), (-) een jampottie mit een varkensblaoze er op espannen (Hol), (-) Dan koj daor een touw umme bienden en een schietbaoge spannen (Hgv) 2. er om spannen Het zal er umme spannen of ik op tied terugge bin (Mep) 3. aanspannen, vastmaken Hij spande de peerden veur de karre (Bov) 4. vastzetten Een ko kuj spannen um hum stille te laoten staon mit het melken vastzetten met een spantouw (Die) 5. passen (Zuidoost-Drents zandgebied) Het spant niet zo goed tussen die beiden ze harmoniëren niet (Sle), Die pèerde spant niet bij mekaar passen niet in één span door houding of kleur (Sle) 6. te nauw zitten De boks spant mij um het gat (Hijk) 7. top van duim en pink zover mogelijk uit elkaar doen Bij koepie pikken moej altied met de haand spannen (And), ...wel zien knikker het wiedst van het koelegie ofleg (Dro) 8. gluren (Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat is een gloeper, hij zit overal te spannen (Flu) 9. verschil van mening hebben (Zuidoost-Drents zandgebied) Zie lagen mor wat tegen mekaar an te spannen (Emm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spannen , spannen , 1) spannen; 2) het aanwezig zijn van grote drukte, haast of levendigheid. ’t spèntr, er is een grote drukte. zie ook naauwen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
spannen , spannen , spännen , 1. spannen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: een koe de achterpoten vastbinden tijdens het melken. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Zal der spännen ‘het zal er op aan komen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spannen , spânn , er om spannen, spannend zijn. ’t Wil der spânn, wie der giet winn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spannen , spèn’ter , spant er , Ut spèn'ter nogal, dé héd'de és'ser veul van die manne bè mekaor zén, mér ze zén zuut. Het spant er nogal, dat heb je als er veel kinderen bij elkaar zijn, maar ze zijn braaf.
Verleden tijd spien. Héij spien de pàèrd in èn we reeje wèg, we hôn't goed getroffe meej’t wiir. Hij spande de paarden in en we reden weg, we hadden 't goed getroffen met het weer.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
spannen , spannen , werkwoord , 1. strak trekken, strak uitzetten 2. iets aantrekken of anderszins gespannen doen zijn: zodanig dat het in een toestand is dat het terug wil veren 3. inspannen (met name van een paard) 4. bedwingen door een spantouw om de achterpoten te binden 5. gespannen zijn, strak trekken 6. in d’r omme spannen twijfelachtig zijn of iets zal lukken, erom houden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spannen , sjpanne , werkwoord , sjpon, gespanne , spannen , (afw. vormen o.t.t. dich sjpêns, hër sjpênt VB: D'n draod sjpanne , 'n moûzeval sjpanne.; 't sjpênt haast (er is haast bij) 't sjpênt VB: Gaw, gaw, oe ês 't hûiske, 't sjpênt.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
spannen , spient , in ’t spient ’r glèijk ’n oordeel het spant er als bij een oordeel , ’t Spient ’r glèijk ’n oordeel Het spant er als bij een oordeel. Er is een hooglopende ruzie.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
spannen , spanne , spanne, zich , werkwoord , spènjtj, spanjdje, gespanne , klemmen: die däör spènjtj zich – die deur klemt
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
spannen , spanne , werkwoord , spantj, spandje/speen, --- , kijken, spannen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
spannen , spanne , zwak werkwoord , spannend worden; Èn naa’k dur de vurronde gekoome zèè, naa gaoget er pas ècht om spanne. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009); Òch, d’r waar netuurlek in èllek höshaawe welles stront òn de knikker. Dè begos meej stèchele en èntele. Daor kwaam hommeles van, èn dan begos ’t ’r pas goed te spanne. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal