elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sprielig

sprielig , [dun] , sprielig , (bijvoeglijk naamwoord) , dun, mager, schraal, spichtig. Dat is een sprielig gewas, een sprielig dier, het zijn sprielen. Smal en nietig van gewas.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
sprielig , sprielig , (bijvoeglijk naamwoord) , Lang en dun, spichtig. Weinig gebruikelijk. Zie synon. op spiechtig, en vgl. spriel. || Wat ziet ze er sprielig uit. – Evenzo in de Beemster (zie BOUMAN 101).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal