elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spul

spul , [moeite; ruzie] , spul , ’t Is zoo al spul, waarvoor men elders zegt: ’t Is zoo al werk. Ergens spul, spuls mee hebben beteekent ergens last, moeite mee hebben.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
spul , spul , huisraad, klederen of andere voorwerpen. , Hij heeft zijn spullen verkocht. Vat uw spullen bijëen. Haar spullen zijn verbrand.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
spul , spul , (onzijdig) , spullen , spel, vertooning, bedrijf. Hij heeft daar een mooi spul; hij past goed op de spullen, dat spul is in goede handen, hij houdt de spullen in orde, hij heeft nu al 10 jaren op dat spul gewoond. – moeite, last, inspanning, hij heeft veel spul met dat mensch, wat heeft hij een spul gehad met dat koppige paard teregt te komen, te veel spuls voor zoo schrale belooning.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
spul , spil , tuig, goedje; zöls gered spil = zelf gemaakt linnen of wollen goed. dit gaoren is nog spil daor ik met veuroet kan. Gron. spillen, spullen, voor: kleeren; hij was al vroug in de spullen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
spul , spil , spul , 1. boerderij, gebouw, villa, inrichting; dat spul wi’k zeen = die fabriek, enz. wil ik zien. Ook Gron. maar alleen voor boerderijen, villa’s, enz. Zie ook: spil. 2. zaak; wijze van doen, leefwijze, geldelijke omstandigheden. Gron. ’n arm spil, ’n benoud spil, ’n mal spil = eene moeilijke zaak; ’n luttîk spil = ’n luk spulje = eene kleine boerderij; ’n mooi spil (of: spul) = een mooi huis met tuin; ’n goud spil (spul) = eene winstgevende zaak. 3. in: dat is spul! da’s echt spul! = dat is echte waar, uitstekende kwaliteit, daaraan kan men veel genoegen hebben; ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
spul , spil , spul , drukte, moeite leven, ongelukkige omstandigheid, lastige drukte; hiel wat spul um maokt weur; “vrouwe, eb ie ’t al eheurd? wat een spul!” Gron.; ’n bult spul (of: spil) met iemand hebben = veel last met of van iemand of iets hebben.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
spul , spillen* , ook = zaken, benoodigdheden; bij v. Dale “spullen.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
spul , spul* , (vergel.: spillen ): spiekers en zuk spul (waarvoor ook: spiekers en goud = spijkers en zulk goed) = spijkers en dergelijke zaken, spinnen en zuk spul = allerlei ongedierte, daʼs spul! = dat ziet er goed uit!, ʼt is best (echt) spul = eerste kwaliteit; de zegswijze: ʼt is alsof ʼt spel spreekt = ʼt is alsof ʼt zoo zijn moest (zoowel van een gelukkig als van een ongelukkig toeval gezegd) is Nederlandsch, ook schrijftaal.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
spul , spil , onzijdig , spul. Het is ’n spil: het is een ernstige toestand. ’n Mooi spil: flink boerenbedrijf. ’t Spil fiks, leiver ne kou te meender: het spul moet in orde zijn, liever een koe minder. Wat is dät vüür spil: wat is dat voor spul.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
spul , spil , zelfstandig naamwoord, onzijdig , spilken , spul, gedoe. Of t spil zoo sprak, of ’t zo weten moest; n oareg spil, een wonderlijke gang van zaken; n bedroowd spil, een treurige toestand, een hopeloze positie
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
spul , spulleke , prima spul Dè’s spulleke! Dat is prima spul! (niet te versmaden).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
spul , spul , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Woning, bedrijf. | Hai weunt in ’n mooi spul. Hai zit op ’n mooi spul. 2. Bijgerecht, groente, al dan niet eetbare substantie of waar. 3. Last, moeite. | Ik had er puur spul mee. Zegswijze mit veul spul en moeite, met veel moeite. – Of ’t spul sprak, of het afgesproken werk was, of het zo hoorde. | We hadde ’t net over oume Dirk en – of ’t spul sprak – deer kwam ie ’t pad op. Vgl. Fries spul. – Spul hewwe, ruzie hebben. | Ze hewwe vast weer puur spul had. Verkleinvorm spultje. Huis(je), bedrijf(je). | Hai het ’n mooi spultje. Vgl. Fries spultsje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
spul , spul , bezittingen, met name boerderij.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
spul , spullegie , 1. klein boerenbedrijf; 2. spulletje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
spul , spil , het , spillen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. boerderij Hij had een klein spillegien, mar hij hef een wat groter spil weerkocht (Sle), Der woonden een paar dikke boeren, de meesten harren het spil niet zo groot (Ruw) 2. spel (Zuidwest-Drenthe, zuid) Pak dat spil mor van het kassie (Flu) 3. opzet (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij is het begunt, het is zien spil (Rui) 4. herrie, drukte (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) IJ kunt um kinder en hoender hiel wat spil kriegen (Sle), Ze hebt spil met mekaar (Bei) 5. spul (Zuidoost-Drents zandgebied, md, ti) Een half onsien van dat zwore spil (md), Dat is nog spil, ...spul van mien moe (Sle), Hij zat goed in de spillen (ti), z. ook spel en spul
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spul , spul , het , spullen , 1. boerderij Zie hebt er een hiel mooi spul henzet (Bor), z. ook spil 2. spel(letje) Zuw nog een spullegie doen of wordt het te late? (Eri), Ik heb nog een spul kaorten (Nor) 3. gedoe Wat is het daor een spul; der is gien örder of regel (Gas), Ze hebt er nogal wat spul met had, veurdat ze er klaor met waren (Odo), O, o, wat een spul. Alles lig deur mekaar (Emm) 4. herrie Ik was bang dat ze er nog spul met kregen (Eel) 5. spul, goed(je) Slakkenmeel, dat is zuk zwaor spul (Eke), Hij het zwaor spul kregen van de dokter (Ktv), Het was wal duur, mar het was ok goud spul (Bov), Ie hebt luus op de bloemen, daor moej wat spul op doen verdelgingsmiddel (Uff) 6. alles, iedereen Het hiele spul was er tegen (Pdh), Hij hef al zien spullegies op haald (Wes), Hij hef de leiding van het spul (Klv), Het hiele spul kwam an de koop (Wes) 7. (mv.) kleding Wij gaot mörgen vort; de zundagse spullen moeten oet de kaast (Rod), Zij zit goed in de spullen (Zdw) 8. (mv.) zaken Hij mag best veur de dag kommen; hij hef zien spullen goud veur mekaor (Ros), z. ook spil en spel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spul , spul , spullechien , 1. bedrijf of ander eigendom. Ik holle van dat spul, ik doe’ t niet weg. 2. toestand. ’t Is ’n spul, dât hie de fietse niet veur mekaere kriegn kan. 3. kermistent. Daor stond mâr ien spul op de hele kârmse; spullechien, klein boerenbedrijf.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spul , spul , zelfstandig naamwoord , et 1. onenigheid, ruzie 2. heel wat moeite, flinke last, bijv. Et is een spul 3. in een protte spul een hoop lawaai 4. kermisattractie (vooral mv.) 5. niet nader omschreven of te noemen zaken, dingen, goed 6. boerderij, boerenbedrijf 7. koopwaar, bijv. goed spul goede waren, producten e.d. 8. eigendom, bezit 9. kleding, bijv. et knappe spul antrekken de nette kleren, i.t.t. de daagse 10. medicijnen 11. spel, bijv. D’r was opzet in et spul opzet speelde mee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spul , spul , zelfstandig naamwoord , spulle , spullechie , [O] 1. spel 2. woning, huis met schuur Hij heb een nieuw spul laete zette Zie ook stelling; spullechie, [meervoud] spullechies boerderijtje Ze weune an d’n dijk in een klaain spullechie Zie ook boerespul; spullechies huisraad, sieraden, etc. Ze heb mooie spullechies
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
spul , sjpöl , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , spul , VB: 't Ês deur wat ich gegoüwe heb meh 't ês waol good sjpöl.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
spul , spul , 1. spektakel, toestand; 2. bezit; 3. ruzie, onenigheid (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
spul , spul , zelfstandig naamwoord , spulleke , bedrijvigheid, heibel (?) spel; Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - Naa begos et spul pas - Nu had je de poppen pas aan het dansen. Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - spulleke; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - 'spulle fiks, mar cènte niks', zi Jantje van Hees (MP'48) -Mooie dingen maar geen geld (Jantje van Hees was een bekend oud boertje op de Kouwenberg); WBD III.3. 1:91 ' spul', 'spullen, koopwaar, goede waar, artikelen' = koopwaar 180 'eigen spul', 'eigen spullen' = eigendom; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - spul ( = spel) krt. 58; WNT SPEL - de gewestelijke vorm SPUL is in sommige toepassingen vrij algemeen gangbaar geworden
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal