elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: staling

staling , [onderlaag] , staling , (vrouwelijk) , stalingen , onderlaag, voeting, staal. Hij maakt de staling gereed, om er den hooiklamp op te plaatsen. Veelal gebruikt men daartoe riet of takkebossen. Eene goede staling beveiligt het hooi tegen vochtigen opslag van den grond.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
staling , staling , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Onderlaag, voeting van riet of takkenbossen, waarop de hooiklamp komt te staan. Vgl. staal III. || Maak ’en goeie staling, aârs wordt ’et hooi vochtig. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 102). Op de Z.-Holl. eilanden spreekt men van staal (OPPREL 84 b).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
staling , staling , stalling , zelfstandig naamwoord de , 1. Vergeelde plek in weiland. Zie stalig en stalige plek. 2. Onderlaag van takkenbossen waarop de hooiklamp komt te staan. Het woord is verwant met stellen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
staling , straoling , zelfstandig naamwoord , de; straling
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal